© Copyright : Vishnuh-Genootschap

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of open­baar gemaakt mid­dels druk, fotocopy, micro­film, of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestem­ming van de rechthebbenden. De Nederlandse en Javaanse verta­ling van de lontarboeken van het Vishnuh-Genootschap zijn vastgelegd bij s'Rijkssuccessie te Leeuwarden in Nederland en gedeponeerd bij het Beneluxbureau voor de warenmerken onder nummer 507115, door de erfopvolger van het Vishnuh-Genootschap, Gurubesar R.R.Purperhart <> Lancar Ida-Bagus.

All rights reserved. No part of this publication may be repro­du­ced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form by means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the written permission of the publisher.

 

 

 


-Ter bescherming van de originele uitgave zijn alle op deze site geplaatste boeken van het Vishnuh-Genootschap gecodeerd weergegeven en ingekort (zie boek "Alleen de Natuur Leeft eeuwig".)


Zo zegt de leer van “Vishnuh”:
 
"Hoop doet leven ontstaan en het einde des levens is....de "dood". De "dood" is moedig en onver­slaanbaar, want hij vreest niets en niemand,..... zelfs de "dood" vreest hij niet. Daarom doet de mens er zeer onverstandig aan, indien zij de dood wel zou vrezen, want de dood is in elk van ons aanwezig. Ieder heeft de dood in zich als levensgezel. Leven en Dood zijn elementen van het leven die onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Immers; alle natuur­wezens maken deel uit van leven en dood".
 
De tocht over de Oceaan had veel levens gekost, zodoende noemde het uitgeweken Indiaase volk het eiland waar ze aanspoelden "Bali", dat Sanskriet is voor "hel c.q. verdoemplaats", want de mensen konden slechts rouwen om het grote offer dat zij moesten brengen voor hun nieuwverworven vrijheid.

 

 

 

 

 

 

 

 


 
  



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


DE GUNUNG PENU'LISAN, HET EERSTE KLOOSTER OP BALI;

Op Bali bouwden de Vishnu­ïsten anno 145 hun eerste kloos­ter dicht bij een berg, die geno­emd is naar de mahapanditòh tulis (Hoge­pries­ter van de schrijvers­gilde van het Vishnuh-Genoot­schap) die Penu heet­te. Mahapanditòh Penu liet hiertoe een inscriptie aanbren­gen aan de voet van de moeder­rots ten westen van dit klooster:

"Ca Ayamah vyapasrayah tarih pandhi Yamanha pengayoman adhibhutam bhutanam, somadhya ca pranam-agnih cak aphi-vibhu-athma vibuti's arnisathi atmakam-vidhana vikarma vivashan lakmi grahena suryaloki vihitam Vishnur Acyutha ca adhibu­tam, Vishnuh acyutha ca acyut­ha Vishnuh nah". Vayam asya Vishnur jnatva na antah rakasya anagha bhavah . Vayam tasya purve na-kascit bhayam. Vayam asya ekam tyajet, iti bhumitala-lokan ing asmakan dhas pranasyati. Bhava dhrtih atmakam, asmakan Visno" .
 
 
Betekenis ”Vrij vertaald:
In aanwezigheid van onze stamvader priester Yamanah treden wij op als beschermer van elk levend wezen en de Baarlijke Natuur. Het daglicht is mijn getuige, want daglicht is Levens­energie en levensenergie is geest. Leven ontstaat uit de inwen­dige krach­tbron der Natuur, het levensvuur van elk schepsel. Het wezen is sterfelijk, maar de Natuur is onfeil­baar, maar wie Natuur­regels over­treedt, zondigt tegen de Natuur die de schep­per is van al wat leeft en nog leven zal. Elk schepsel op zich is een indivi­du, maar geza­men­lijk vormen wij het Na­tuur­volk. Wees uzelf, want Vishnuh is zichzelf en hij zal altijd zich­zelf blij­ven. Blijf Vishnuh trouw. Wij zijn Vishnuïst en kennen geen grenzen met betrekking tot het verdedigen van een onschuldig wezen en voorts zijn wij slechts voor één ding bang,dat is,dat de hemel op onze hoofd valt."

 
Zo zegt de leer van “Vishnuh”: 

"De doden­ak­kers liggen vol mensen die dachten dat zij onmis­baar waren en bijwijlen weten doden niet dat zij in een ijlstoffelijke dimen­sie verke­ren en dat hun gebeen­te aan het verbleken zijn. Levende wezens zijn opgebouwd uit stof, zo zal een e­lk zodra de tijd daar is- wederom tot stof overgaan. Een ieder zal dit lot alleen moeten onder­gaan, de weg van al het vlees (de dood) is oneindig en uit­zichtloos. Levende wezens zullen toch ooit eens onherroepelijk tot stof ver­gaan, want stof zijt men en tot stof zal alles wederkeren. Bedenk dat aan het eind der jaren ieder­een deze weg zelf zal moeten ervaren of door­staan."
 
 
In dit boek wordt voorhands kort ingegaan op de beschrijving van het vroegere Java (JAWI) en andere oude beschavingen op de Archipel. Over het ontstaan en de ontwikkeling van de ge­hele Archipel zal hier slechts beperkt blijven tot globale gege­vens, omdat aan Java en andere delen van Nieuw-Indië elk voor zich een aparte boek is ge­wijd.
 
 
JAVA

Rond 145 n.chr., zette Indi­ase immi­gran­ten voet aan wal op de Indische archi­pel en hebben de grote gebieden geculti­veerd en ingericht naar Indiaas model. JAVA is genoemd naar het dorpshoofd (JHANYA-WHI afge­kort JHA-WHI; spreek uit JAWIE), die met zijn gevolg als eerste van een grote stroom immigranten zich ves­tigden op dit lange en smalle eiland. Van West naar Oost is dit eiland doorsne­den door grote en hoge bergen. De pieken van de meeste bergen waren enorm hoog en bereikten zelfs een hoogte van 3000 tot 5000 meter. De aller­hoogste Berg werd Shi-maru genoemd. Deze naam is afgeleid naar het volk, dat zich thuisvoel­de tussen deze actieve vulkaan en geen hinder scheen te onder­vinden van de erupties van de 200 honderd actie­ve vulkanen.
 
DE STAMNAAM ontstaat......

In India, het land van herkomst, werd de naam van een stam voorafgegaan door de drie eerste letters van hun hoofdgod, samengevoegd met de plaatsnaam van hun woon­plaats. De Shi-maru stammen waren van oudsher Shiva aanhan­gers. Zij verlieten India met medeneming van hun vroege­re goden waaron­der Shiva de zonnegod. Op de Indische Archipel verander­den zij deze naam in JHA-Whi's (Java­nen), geassiocieerd met de naam van hun nieuwe grondge­bied die ver­noemd is naar hun nieuwe heerser JHANY­A-WHI of afge­kort JHA-WHI (JAVA). Vanafdien ontstonden de talrijke Ja­vaanse volkeren op Java die later verspreidt over de archi­pel een nieuw bestaan opbouwden.
 
De Moesson winden be­paalden het klimaat. De westmoes­son (regen tijd)begon medio december tot midden april en de oostmoesson (droge tijd)van mei tot oktober. In tegenstelling tot de andere eilanden kwamen daar geen wervel­winden voor. Vervolgens had Java een zeer rijke fauna van grote dieren zoals tijgers, bantengs, kroko­dillen, neushoorns en gevleugel­de diersoorten waren er in alle kleuren, vormen en soorten even­als de over­vloed van insecten.
 
Het Vishnuh-Genoot­schap telde er 8000 plantensoorten en ook de flora van boom­soorten die nuttig en zeer kostbaar waren zoals teak, klopoh (kokos), kina, bamboe. En omdat er op Java grote bergen huis­den ont­stond ten gevolge hiervan de vier (4) plan­ten gebieden n.l. de zone waar echt alles kan groeien en gecultiveerd kan worden tot op 600 meter vlak­te, vervolgens de zone voor de aanwas van koffie, kina, en thee. Deze tweede vlakte kenmerkt zich van de andere waarvan de lucht koeler is en derhalve zeer geschikt voor de hierboven genoemde gewassen.
 
De derde zone is een steppe, een uitge­strekte grasvlakte en de vierde zone is een alpinezone waar ijzerhoutboomsoorten groei­den, dit waren erg kostbare hout­soorten toendertijd, evenals de Ja­vaanse edel­weis,­ die in vele soorten voorkwamen. s'nachts vroor het in het hele ge­bied tot minstens 5 graden onder nul. 

De Jha-whi's (=Java­nen) culti­veer­den het gebied Jhawhi (JAVA) en bracht het tot ont­wikke­ling met klas­sieke Indi­ase invloe­den in tegenstel­ling tot de 14de en de 15de eeuw waarin men zich door bui­tenlandse invloe­den van de klas­sieke beleving ging distan­tiëren.
 
In de 3de eeuw bouw­den de Javanen op het Dieng-plateau bij Wonosobo 350 tempels ter ere van hun God Shi-va (Shiva), die deel uitmaakte van hun cultuur. Anno 317 werd onder het bewind van de machtige Hindu-boeddhis­tische vorstenhuis Cai­lendra be­gonnen met het mooier maken van deze Candi's (tem­pels) en werden de Shi-va tempels groter en mooier ge­maakt. Nadat dit voltooid was in 328 na.chr. startten zij in 389 met de bouw van de BOROBUDUR en de Prambanan.
 
Dat het hin­du-boedd­histische vor­stenhuis de Cailendra's machtig was, was niet alleen aan de tempel te zien, doch ook aan het feit dat ze als soeverein tevens over Cambodja heersten, maar tijdens de bouw slonk de macht waarna de nog machtige Sanjaya dynas­tieën de bouw van deze tempel voltooiden.

 
DE BOROBUDUR

Allereerst was er de Shiva-tempel Mendut genoemd naar de Hindu-Boeddhistische Priester (genaamd Mendut of Pendut) even­als de vlakte waarop zij werd gebouwd. Men maakte ge­bruik van ande­siet en vulkani­sche tufsteen, dit werd over een kern van baksteen gebouwd, dit alles werd een soort plat­form. In 389 werd begon­nen met de bouw van de Borobudur, de groot­ste Hindu-Boeddhisti­sche Stoepa ter wereld die uit zeven lagen bestaat en waarvan alleen de bovenste laag voor gebruik be­schikbaar en betreed­baar is gemaakt.
 
Voor de bouw van deze tempel werd voor een terrein gekozen die een kern van aarde bevat in de vorm van een twee-toppige heu­vel zodat het moge­lijk werd het reus­achti­ge bouw­werk zoals gepland uit zeven lagen op te trekken. De bedoeling om direct na de vol­tooiing van iedere bouwsel (eta­ge) het dal ertussen op te ­vul­len is goed doordacht, blijkt uit de keuze van het gebied waarop de Borobudur zijn grondves­ten heeft.


Uit de leerboeken van het Vishnuh-Genootschap blijkt, dat de Borobu­dur vanaf de laagste tot de hoog­ste of zevende laag in totaal 4009 verha­lende reliefs bezit, allen hebben een beteke­nis van grote waarde, elk teken verwijst naar het verle­den of naar het heden. De rondgaande terrassen die rondlopend met de wijzers van de klok omhoog lopen stellen de twaalf tre­den van geeste­lijke progres­sie voor, de binnenmuur dient altijd rechts te zitten, omdat dit voor de Boe­ddhisti­sche priesters de weg van het heil uit­beeldde en­­ ver­klaarbaar als een teken van respect.
 
 
De bouwers van deze tempel hadden, zeven niveau's van mate­riële en geestelij­ke bedrijvig­heid in gedachten. Zo werd bij het ontwerpen van deze tempel rekening gehouden met- de aanwezigheid van energie, de aanwezigheid van de structurele vorm, de aanwezig­heid van vorm­loosheid, de aanwezigheid van de heiligdommen die onver­wijld verderf en vernieti­ging zullen zaaien aan schenders en rovers van reli­kwieën uit deze tem­pel, de aanwezig­heid van de sleutel, de aanwe­zig­heid van de ant­woor­den en de "zeven" advie­zen die het antwoord voor de toe­komst in zich herbergt.
 
... Deze tempel verte­genwoordigd het familie-bezit van 4009 dynas­tieën waarvan sommigen tot het einde van de bouw nog leefden en de tempel als schatkamer gebruikten, waar het ook oorspron­ke­lijk voor bedoeld was, en aan wie zij hun gehele familiege­heim, fami­lie-geschie­de­nis, en familie-erfstukken toever­trouw­den ten behoeve van hun nage­slachten. Voorts herbergt deze tempel een legio idee­ën, tradities en de ge­schiedschrijvingen van een groot aantal bevolkings­groepen.

De mooiste drie tempels bevinden zich op het bin­nenste plein; het hoofd­gebouw is gewijd aan Shiva, de andere twee aan res­pectie­velijk Brahma en Vishnuh deze twee zijn wel kleiner dan het hoofdge­bouw. Omstreeks 930 na chr. verhuis­de het daarop wonen­de Sanjaya hof naar Oost-Java waarna de tem­pels ten gevolge van sterke ver­waarlo­zing het tijdperk van groot verval intrad. In 1584 vond er een zware aardbe­ving ­plaats waardoor het geheel in­stortte, deze ruine's raak­ten ­daarop eveneens bedol­ven onder overwoeke­rend groen.

"In een der aantekeningen in de kropak van Kiyai­ (= kloos­terover­ste) IDA-BAGUS Rakka stond de volgende notities. Het dak van de Boro­budur is een mestvaalt geworden en drukt ­niet meer datgene uit die onze voorvaderen/voorouders middels schrif­tuurlijke bepa­ling in deze tempels hebben aangebracht en uitgedrukt".
 
De Archeologische Moord Op Grote Schaal

...Anno 1885 begon men met een restauratie door de Hollandse lijfarts van de Sultan van Jogya, die de geornameer­de stenen wel netjes op elkaar legde maar alles ­wat hij zelf onbelangrijk achtte weggooide, hier­door kwamen ­bouwelementen van zes tempels door, onder en op elkaar te lig­gen. Deze tempel stond als belang­rijkste restau­ratie op de ­lijst van een nieuwe restauratie in 1918, maar dit gebeurde op een minach­tende achteloze manier, want gebeeld­houwde panelen ­werden lukraak gebruikt waar dat maar uitkwam en wat niet paste werd er wel even bijgehakt en of uitgehakt naar eigen idee ; door strenge bezuinigingen werd de herbouw in 1930 stop­gezet, de eigenlijke latere restauratie bracht deze tempel terug in de neo-moderne vorm die het nu heeft". 

Al deze vanda­listische toestanden worden in de boeddhisti­sche wereld be­schouwd als heiligschen­nis en disres­pect jegens de voorou­ders. En zoals vanouds kan dit alleen met bloed worden goed ge­maakt.....

..In de loop der tijd hebben buitenlandse schatgravers in samenwerking met binnenlandse grafschenners enorm veel waardevolle voorwerpen en sieraden van onschatbare waarde uit de graven gestolen, zoge­naamd voor onderzoek meegenomen om later als souvenir te eindigen in een museum of privé-woning.
 
De Borobudur is inmiddels geres­taureerd doch niet exact zoals hij in het begin was, bovendien hebben weten­schappelijke onderzoe­kers tezamen ­met de Indonesi­sche regering in 1965 een bescher­mende onder­laag wegge­haald omdat men dacht dan enkele myste­ries te kunnen oplossen, gelukkig is deze tempel nog steeds even mystiek als voorheen, bepaalde tekens en afbeel­dingen zijn nog steeds een raadsel voor de buitenwe­reld en hopelijk blijft dit ook zo; en de enigen die licht in deze zaak kunnen brengen zijn de Vishnuh-pries­ters, en het is maar de vraag of een van hen ooit bereid zal zijn het mysterie rond deze unieke tempel op te los­sen. Want de mensheid heeft uit nieuwsgierigheid en winstbejag al te veel heiligdommen, en bouwwerken uit de oudheid geschon­den en leeggeroofd, denk maar eens aan Egyptische pyramiden, monu­men­ten van de Inka's, en andere tempels over de gehele wereld.
 
Zo zegt de leer van vishnuh:
 
"Elk wezen bezit van nature het vermogen om te veranderen en om overeen­kom­stig de omstan­digheden zich daar­naar te gedra­gen, zich aan te passen en te handelen, maar zij die zich laten leiden door utopia zal de tand des tijds niet door­staan. Het leven begint en eindigt met een individu­eel gevecht, want middels het persoonlijk gevecht houdt de mens zich in leven, het leven is een gevecht en het gevecht is van het leven, want als iemand zijn levens­stroom afsluit, zal deze erbarmelijk sterven".


MIDDEN JAVA

Op Midden-Java vindt men vele tempels, bij Wono­sobo is het ­Dieng-plateau, wat bestond uit 200 sober versierde tempels ge­wijd aan Shiva, waarvan helaas nog maar 8 over zijn, een van de overgebleven 8 tempels is de befaamde Candi Bhima, dit pla­teau met tempels ligt op 2000 meter hoogte. Het Hindu-Balinese monument Gunung Kawi (originele of oor­spronkelijke berg) van Koning Udayana uit de 10de eeuw is in rotsen uitge­hou­wen, de nissen zijn 7 meter hoog, in het midden van deze nissen onder schijn­deuren bevindt zich een put voor of­fers, waarin een stenen kistje met negen vakjes zitten, het monument bevat de as van verscheidene koningen die de directe afstammelingen waren van Koning Anak Wungsu en diens tiental­len vrou­wen. Op hetzelfde terrein staat een even oud Klooster eveneens uitge­houwen in de rotsen, deze plaats wordt in de boe­ken van Vishnuh genoemd als een plaats van verering, en die hedendaags door de Balinezen nog steeds alszodanig wordt ge­bruikt.
 
De eerste vorstin van Bali heette Sri-pande Sesari (anno 210). Deze vorstin legde de basis van het Balinees welke rechtsstreeks werd afgeleid uit het Sans­kriet. Haar opvolgster 60 jaar ­later (280.n.chr.) was Sri-Kesari die 40 jaar na haar kroning de troon overdroeg aan haar broer Adhipa­thi Bhagwenda Varmmha in 320 n.chr. Anno 357 liet deze vorst uit het Sanskrit afge­leide taal, wier basis anno 280 is vast­gelegd door haar oudste zuster Sri-Pande Sesari, "het Bali­nees", uitroepen tot de nati­onale taal van Bali (het land waar men niet verder kon dan naar de dood = de Zee werd, zoals ik al eerder in dit boek heb beschreven, door de Baline­zen vroe­ger gezien als het "Doden­rijk").
 
... Deze koning stierf in 371 n.chr. en werd opgevolgd door de vorst adhipati Guna Priya en in het jaar 412 liet deze de Bali­nese taal vervangen door het Javaans, nadat hij trouwde met een toen ontstane koninkrijk op Java (Sri-Wijaja). Ter ere van dit huwelijk gaf hij een edict uit in het Balinees en het Javaans. Het Balinees werd echter niet achteruitgezet, want deze bleef de voertaal. Maar de officiële taal voor alle cor­respondenties was het Javaans. 

Deze dynastie werd in het jaar 500 opgevolgd door Bhupathi Dharmadaya. Nadat deze vorst stierf anno 533, braken er onlusten uit onder het volk, zodat de nieuwe ­vorstin Sri-Dharmadaya in 546 een edict uitgaf in het Balinees en de meer dan een eeuw oude traditie, inzake de Javaanse taal wederom plaats maakte voor het Bali­nees die immers tijdens het bewind van Bhupathi Gunapriya werd uitge­roepen als de offici­ële hoftaal. Ook deze dynastie ver­ging in 594 en werd vervan­gen door Sri-Gunapriya met haar man Bhupathi Dharmapatni.
 
... Ook aan deze dynastie kwam een eind, en werden opgevolgd door Sri-Erlanggha met haar echtgenoot een Balinees van adel Udhay­a­na. Sri-Erlanggha had een grote be­langstelling voor filoso­fie, zwarte magie. Daarnaast beoefende zij als leerlinge van de Penu-lisan (klooster van het Vishnuh-Genoot­schap bij de berg Penuli­san) de Picasa­leer. Zij redde hier­door wel vele mensen­le­vens en ver­sloeg menig vijand door die kennis, maar werd door haar toene­mende belang­stelling voor duivels­kunst door Pandhi­toh Bhiyand­hi verbannen. Deson­danks bleef zij verbannen in de bergen toch volhar­den in het kwaad, en zij stierf in het jaar 670 temidden van de Bali-Siti (het inlandse volk dat zich in de bergen terugtrok na de komst van de vele Indiërs op de Indische archi­pel). Later in de geschiedenis werd zij be­rucht onder de naam Rangdha wier verhaal is opgeno­men in de Barong-dansen. Ook wordt zij afge­spiegeld als de boze godin Dhurgah.
 
 
DE JONGSTE TELG...
 
De jong­ste zoon uit die dynastie Adhipathi Anak Wungshu beklom de ­troon na het over­lijden van zijn vader Udhayana in 683 en ­trouwde 691 met een Oost-Javaanse prinses Putri-Singosari en door dit huwe­lijk, die de belangrijkste schakel was in een vor­stenhuwelijk, werd hij in 696 gekroond als vorst van Oost-Java alwaar hij 20 jaar regeerde. Bovendien was hij heerser over een groot gedeelte van Bali. Hij was de koning die veler­lei monumenten stichtte. Doch in 723 stierf hij en zodoende de relatie tussen Java en Bali voorgoed werd ver­stoord.
 
 
DE STRUCTUUR VAN DE MOJOPAHIT
 
De Mojopahit dynastie was een vereniging van Hindu-vorsten onder een noemer, en bestond uit negen (9) dynastieën ver­spreid over de Archipel. Dit waren de Klungkung dynastie, Karangashem dynas­tie, Mhengwi dynastie, Bhadung dynastie (de nu geheten Den Pasar), de Bhangli dynastie, Ghianyar dynas­tie, Bhuleleng dynastie en de Jemba­rang dynastie. Al de nage­slachten van de hiervoor genoemde dynastieën hebben even­als hun voorouders zich nooit afgegeven aan de Islam. Later in de geschiedenis werd Bali een ware toe­vluchts­oord voor de overgebleven adel, ten tijde van de opkomende Koloniale heerschappij.


In Bha­dung kwam een rekrute­ringsoord voor inheemse slaven tot stand, die toen heel normaal was voor de hol­landers. Veel Balinezen werden tot slaven gemaakt, ver­kocht en geëxporteerd naar bijna alle delen van de wereld, ­vooral de vroegere Javaanse, Hindu- en andere inheemse adel heeft het erg zwaar moe­ten ontgelden. Voormalige koninkrijken werden door de kolonialisten uitgemoord, ver­bannen en een groot gedeelte van de 9 dynas­tieën werden tot slaven gemaakt en doorverkocht aan de meest biedende kolonia­list van destijds. Daardoor leven op dit moment over de gehele wereld ­ver­spreidt nog nageslachten van deze oude koninkrijken .
 
Balinese slaven waren zeer gewild, omdat zij mooi, ontwikkeld en goed­moedig waren. In 1812 eisten twee Javaanse Raden's de rechten van Bali op, dat waren de vorsten Raden Buleleng en Rathu Kha­rangashem waarna de hollanders een straf­expeditie uitzond om dezen de mond te snoeren.
 
Daarover zegt de leer van "Vishnuh":
 
"Vergeving van hen die voorouderlijk verraad hebben gepleegd kan alleen worden goedgemaakt door puputan te betrachten, dan pas geeft men daadwerkelijk blijk van berouw ten opzichte van de voorouders die door hen verraden, gemassacreerd en onderworpen werden met behulp van de vijand".
 
 
DE KEDIRI-DYNASTIE

Zeshonderd jaar n. chr. ontstond op de Indische Archipel een dynastie die de geschie­denis in zou gaan (6de tot de 10de eeuw) als een van de mach­tigste koninkrij­ken die door het Vishnuh-Genoot­schap werd gesteund.
 
De Erlanggha dynas­tie is van balineze oorsprong en begon met kroonprins Erlanggha die een halve Balinees was; Trouwde met een kleindochter van koning Sindhuk die over het Oost-Javaanse eerste Mataram rijk heerste, gelegen in de rijke valleien van de Brantas- en de Solo rivier. Anno 670 n.chr. liet deze een inscrip­tie na (in het huidige Malang) waarop hij een gedenkte­ken liet uitbrengen bedoeld als dank aan zijn Hindu-buddhisti­sche voorouders; de recht­streekse afstammelin­gen van Vishnuh.
 
... Zeven Vishnuh generaties waren er koning, en ook op mid­den-Java waren belangrijke staten ontstaan, maar deze hadden echter totaal geen invloed op Oost-Java. Al deze staten waren juist be­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ïnvloed door Indiase inbreng, maar bleven tot aan het einde van hun dynastie machteloos.

... De Erlanggha dynastie was waarlijk een goede bestuurder met grote autoriteit, maar kort voor zijn dood verdeelde hij zijn rijk -om broe­deroorlog tussen zijn zeven zoons te voorkomen-, door deze verdeling werd de band tussen de 7 broers onwrik­baar gemaakt. Zo werd de macht over Java in handen van deze 7 Vorsten van de Er­langgha dynas­tie -verenigd in de naam KEDIRI nog steviger, en er was geen een die iets tegen dezen beging. De hoofdstad van Kediri lag aan de boven­loop van de Brantasri­vier ten zuiden van het voormalige Rijk van Erlanggha. Het woord “Kediri” is afgeleid van de drie oudste Lontar­boeken waarin de bevin­dingen van de drie stamvaders werden beschre­ven, nl:

1.- de "KSR­DKHSY VSHN" omvat de leer van de eerste purus­ha-avatara, is het boek waarin de eerste stamvader "GHRBHDKSY VSHN" anders ge­noemd "Ida-Katut Panditoh" (145-250 n.chr.), de leer over het aardse leven uiteenzet en de leer van de ver­schillen tussen de atomen uitlegt.

2.- de "KHRBD­KSY VSHN" omvat de leer van de tweede purusha-avata­ra, is het boek waarin de tweede stamva­der -"KR­NDKH­SY VSHN" anders genoemd "Banjar-Pandé Panditoh" (245-347 n.chr.), de leer der voort­planting op aarde verhan­deld welke bedoeld is ter verme­nig­vul­diging van diverse soorten levens, teneinde ver­schei­denheid te doen ont­staan.

3.- de"KRNDKHMY VSHN" omvat de leer van de derde purusha-avatara anders genoemd "Ida-Bagus Panditoh" (343-453 n.chr.). Deze was de derde stam­va­der die de "Ngelmu palajaran kebatinan songkoh pakempa­lan Vishnuh" (de filosofi­sche leer van Vishnuh) heeft uiteen gezet,  bevat­tende de leer waarin de filoso­fi­sche om­schrij­ving over het ont­staan van het "leven" ten grond­slag ligt.
 
 
In het oude Indiase Sans­kriet ontbraken altijd de ­klin­kers, dit werd gebaseerd op de geest van die tijd, waarin vol­ke­ren zich ver­staan­baar moesten maken middels hand­bewe­ging en woord waar­bij de uit­spraak niet ter zake deed, als men het maar begreep.De naam van de eerste stamvader "Ksaridkhasi­ya Vishnuh" en de tweede "Ghor­bhidkusiya Vishnuh" en de derde naam luidt "Kuruno­dkhamayi Vishnuh."
 
De leer van "Vishnuh" zegt:
 
"Het weten op zich is niet rele­vant, maar het begrijpen op zich is rele­vant, laten wij daarom deze namen haar piëteit laten behouden zoals nakomelin­gen betamen te doen, en dan wel zo exact zoals het door onze stamouders in lontar­taal is beschre­ven en vastgelegd als overdrachte­lijke erfdelen ten behoeve van toekomsti­ge nage­slachten".
 
 
DE ZEVEN KONINGEN

De zeven koningszonen van Kediri waren niet alleen machtig maar beschikten ook over bijzondere culturele gaven. De lite­ra­tuur maakte met behulp van het Vishnuh-Genootschap onder hun bewind een grote bloei door. Aan het hof beheerste elke edel­man en koningsverwanten de dicht­kunst van "Kekawin", een moei­lijke aan regels gebonden Indi­ase versvorm.
 
 
De nu nog roemruchte Ramayana is geschre­ven in het oud Javaans, en de carrière van hun vader Erlanggha werd bezongen in de beroemde Arjuna-Wiwahan (Keka­win), het huwelijk van Arjuna. Het Kediri dynastie werd in 1054 opge­volgd door de Singosari dynastie.
 
 
Wat bete­kent Ramay­a­na pre­cies?

Ramayana is een Sanskrit-woord en gaat over een vedi­sche epos waarin het voorbeeld van een volmaakte vorst wordt verhaald, en waarin tevens een vergelijkbare gedragslijn is vastgelegd waar­aan een avatar (mensgod) moet voldoen.
 
Dus een ramayana is een autobiog­ra­fi­sche ge­schied­verhaal waarin melding wordt gemaakt van ie­mands levens­wandel waarbij zijn wijsheid, heldendaden, goede daden, enz. het middelpunt vormen van zijn Ramayana. Op grond van deze oude Indiase regels hebben vele vorsten op de Indi­sche Archipel zich uitgeroepen tot Avatara (ook Avatar), wiens levens­liede­ren later in de geschiedenis een plaatsje kregen in Ramaya­na ver­haal­tjes met alle toeters en bel­len. Zo beschreef bijna elke leider of koninkrijk zijn eigen epos,...­..een eigen Ramay­ana, "dus een eigen verhaal". Ramayana is heden ten dage een begrip geworden, die, zoals het op dit moment er voor staat en zoals zoveel andere begrippen te pas en te onpas word gebruikt in "hun eigen" mysticisme.
 
 
DE SINGOSARI
 
De naam “Singosari” vond zijn ontstaan uit het Javaans, met de symboli­sche verwij­zing naar de afkomst van de eerste koning van Singosari Adhipathi Kangghrok Rajasa (1054- 1302 n.chr.). De naam Singosari betekent "Hij die een omslagrok draagt". SING = "Hij die een", of "degene die". De "O" staat voor dhingo dat "dragen of omdoen" betekent, en "Sari of Sarong" is het indiase woord voor omslagrok. De belang­rijkste Singosari vorst was Kertaneghara, zoon van Kangghrok Rajasa. Kertaneghara werd in 1154 tot koning gewijd en stierf in 1250. Kertanaghara begon het Javaanse Imperium op te bouwen en hoopte al doende de macht over de gehele Archipel te ver­breiden. Hij was een aanhanger van het tantrisme en werd zelfs gewijd tot een buddhis­tische godheid.....
 
 
....De dynamische buiten­landse politiek bezorgde Kertaneghara echter bui­tenge­woon veel proble­men met het mach­tigste rijk van heel Azië, namelijk het rijk China, waar een Mongoolse dynas­tie heerste, de Yuan dynastie (1266-1372), die gevestigd werd door Kublai Khan. De keizers van deze dynastie waren even dynamisch als Kertaneghara waar­door een mongoolse invasie van Java ontstond. Kertaneghara begon zijn loopbaan als koning met de verovering van Bali, waarna hij begerig werd naar Sumatera; hij mobili­seerde hiervoor een sterk legermacht en deed een woeste aanval op Malayu (molukken), die hij vervol­gens ook ver­over­de, de Raja van Malayu accepteerde als teken van onder­werping een tempel­beeld van Kertaneg­hara's vader als symbool van Sigosari's macht.
 
... Terwijl Kertaneghara op Sumatera strijd voerde onder­vond zijn eigen land gevaarlijke problemen want een inlandse vorst genaamd Jaya Katawang kwam in opstand en deed een snelle woeste aanval op Singosari die hij vervol­gens veroverde. 

... De troepen van Jaya Katawang be­stormden, plunder­den en ver­brandden Singosari en vermoordden Kerta­neghara op een wrede manier, hij werd levend aan een stok geregen en te drogen gelaten. Zijn legeraanvoerder (Wijayah) die tevens Kertanegha­ra schoon­zoon was wist te ontkomen en spoedde zich naar het eiland Madunten, alwaar deze een nieuw leger bijeen vergaarde dankzij de hulp van de bestuurder van dat eiland. Wijaya hoopte innig de opstand te onderdrukken en Singosari weer aan de macht te brengen, maar de onverwachte mongoolse invasie kwam ertussen.

De Yuan dynastie wenste binnen de Aziatische invloed­ssfeer geen machtig rijk op de Archipel te hebben. Tijdens het bewind van Kertaneghara werd er van hem verwacht dat hij zijn chinese "oudere broer" (de chinese keizer) als blijk van erkenning jaarlijks een behoor­lij­ke tribuut (belas­ting) diende te zen­den, als dank mocht Ker­taneghara zich heerser noemen over zijn eigen landje. De op macht belus­te Kertanegha­ra was het daar niet mee eens geweest; sterker nog- het chine­se hof had eens een gezant gestuurd, die om het tribuut kwam vragen -dit was namelijk in geen jaren ge­beurd- daar China zo'n zwakke keizer op de troon had, dat men zich wanbetaling wel meende te kunnen veroorlo­ven.
 
 
... Door het komen en gaan van afge­zanten die een lange reis moes­ten maken met trage schepen die tussentijds verscheidene havens aandeden om handel te drijven ging er heel veel tijd ­verloren. Tegen de tijd dat Kublai-Khan een groot mongools le­ger per schip naar Singosari kon zenden, was Kerta­neghara reeds gedood en op Oost-Java woedde een burgeroorlog tussen Wijaya en Jaya Katawang.


De naam Mojopahit of Maöspahit is afgeleid van de bittere vrucht van de Mojob­oom. Dit enorme Rijk ontstond na de Kediri dynastie in de 10de eeuw en hield in de 16de eeuw op te bestaan. De Mojo­pahit was het laatste Javaanse rijk die door het genootschap werd gesteund totdat in 1388 de laatste nageslacht (Rajasa­mankara) van de Mojopahit stierf en voor het Vishnuh-Genoot­schap geen reden meer aanwezig was dit vorsten­dom nog verder te ondersteu­nen, want het feit dat het Vishnuh-Genootschap dit rijk ondersteunde was omdat de Rajasamankara een getrouwe lid was. Na de dood van deze koning werden de Kropaks van de mojopahit dynastie aan het Vishnuh-Genootschap overgedragen - zoals de meeste koningshuizen in die tijd deden. 

Het rijk werd daarna aan de Islam ten grondslag gelegd door de verraderlijke neven van de gestorven koning. Het centrum lag aan de beneden­loop van de Brantas­ri­vier, het hof van de koning was één van de grootste konings­ho­ven die ooit op Java hebben bestaan. Dit rijk was zo vermaard dat vele latere heersers beweerden dat ze van de Hin­du-koningen van Maospahit afstam­den, waar niets van waar was. Ieder ander zich respec­terend hof deed toen zijn best er zoveel mo­gelijk op te lijken omdat men voor beschaafd wilde worden aan­gezien. Zelfs een koning van Borneo (het huidige Kaliman­ten) ­trok naar het hof van Mojopahit, niet alleen voor de goede om­gangsvor­men, maar ook om de bestuurs­vorm van zijn eigen heer­schappij te toetsen.
 
 
DE RAJASANAGARA

De Rajasanagara dynastie heers­te vanaf de 10de eeuw over de gehele Archipel en het schierei­land Malakka.
 
... De handel tierde dan ook welig, schepen van Mojopahit voeren ­uit van de Oost-Ja­vaanse havens en dreven veelvuldig handel met de andere eilan­den en met grote delen van Azië. Dit koninkrijk ­heeft een grote bloei veroorzaakt in de geschiede­nis van de Indische Archipel, het Vishnuh-Genootschap bezit hiertoe be­schrijvingen, afbeel­dingen vanaf de oprichting (10de eeuw), waarop het elegante hofle­ven tot in details zijn afge­beeld.
 . 

In de hoofdstad van Bali (Denpa­sar) staat de Maospahit tempel in het centrum van de stad. De invloed van de Mojopahit is ontzaglijk groot geweest en nu in deze tijd nog overal op de Archipel te merken is. In de archi­tectuur op Oost-Java vindt men nog alom de "gesple­ten poort" en zelfs in het dage­lijks leven treft men nog restanten als stille getui­gen van deze oude cultuur aan. ­
 
 
Maospahits macht en rijkdom be­rustte voorname­lijk op de zeer vruchtbare grond die zij beza­ten, waardoor zij uitzonderlijk goede rijstoogsten binnenhaal­den. Er was zoveel rijst waarop zij een belang­rijke export kon­den beginnen, deze rijst werd dan naar kusthavens verzonden en van daaruit verder verhan­deld. 

Zij die zich met de handel ­bezig hielden waren Moslims, die geleidelijk en "nogal" vrien­delijk en met voorbedachte rade de nieuwe religie invoerden, in de 14de eeuw waren de kustgebieden reeds bekeerd tot de Is­lam. Maar er gebeurde meer in die tijd.
 
Op West Java lag de staat Sunda en Mojopahit zag er wel wat in om dit rijk binnen zijn invloeds­sfeer te bren­gen. De meest logische metho­de leek een huwelijk tussen een Sundanese prin­ses en de vorst van Maos­pahit, wat toen gebrui­kelijk was bij vreedzame poli­tiek. Maar deze manoeuvre pakte voor de Mojopa­hit verkeerd uit, Sunda zag dit huwelijk als een verbintenis van gelijk­waardige partners; Mojopahit echter zag het als een elegante vorm van tribuut (= belasting), dit leverde een zware strijd­slag die ein­digde met de ondergang van de Sunda dynas­tie.
 
... De prin­ses werd echter gevangen genomen om als­nog de Mojopahit koning te huwen, maar zij pleegde zelf­moord omdat haar vader, de gehele fami­lietak en zijn oudge­dienden gedood waren in de strijd, wat dan ook een grote schande zou beteke­nen indien zij ondanks al­les toch nog zou trouwen met de moordenaar van haar familie­clan. 

 

 


 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 
Bijna heel Sumatera werd in die tijd door Mos­lim-vorsten geregeerd, evenals de Noordkust van Java, de andere eilanden en zelfs op de Filipij­nen het Mindanao dat zelf nu nog een Moslim staat is; en dit alles was de reden van grote moeilijk­heden hetwelk zich nog steeds voortplant. Malak­ka echter bleef hierbij niet achter en werd onder leiding van Iskandar Sjah van Palem­bang (vanaf 1420) drie eeuwen lang overheerst.
 
Gedu­rende de 16de eeuw bleek degene die de macht over de zee kon uitoe­fenen de macht over allen te hebben. De gehele handel was nu in moslim-handen vooral de kostbare specerijen, en ook werd de islam ge­consolideerd (= vast en verduurzaamd gemaakt) en dat bete­kende ­het einde van het eens zo machtige Mojopahit rijk. De raja en het hof van de Mojopa­hit weken uit naar Oost-Java, alwaar dit rijk nog steeds grote invloed had die tegenwoordig nog te zien is aan de Hindu-Balinese samenleving aldaar. Overal op de A­rchipel waren Moslimstaten ontstaan, op Sumatra waren dat Pasai en Aceh (uitspr. Atjee); op Java Banten, Tuban, Gresik en nog vele anderen; Op Celebes (= het huidige Sulawe­si) de Bugi­nezen; maar op Java ontstond echter een eigen islam, vermengd met mys­ti­cisme, met een plaats voor oude "legen­den", litera­tuur en de aanwezig­heid van de rijstgodin Dewi-Shri, wat nu nog steeds op de Indische Archipel duidelijk zichtbaar is.
 
 
DE KOLONISATIEPERIODE VAN DE INDISCHE ARCHIPEL

Ondanks het feit dat de Archipel vanaf de 14de eeuw door wisselende overzeese mo­gend­heden ge­koloni­seerd werd, hadden verschillende Indische volkeren nog een ei­gen ko­ning. Het Vishnuh-Genootschap besloot na de inval van hebzuch­ti­ge vreemdelingen (o.a. Portugal, Enge­land en Nederland) niet in te grijpen of enige hulp aan de toen nog geves­tigde Javaanse konink­rijken te bieden, om­dat het genoot­schap vond dat de Indische volks­leiders het zelf eens aan den lijve moesten onder­vinden, hoe het in werkelijkheid aanvoelt om over­heerst te worden door andere hebzuchtige religieuze mogendheden en andere wrede over­heer­sers, zodat zij een helder inzicht krijgen van het­geen zij hun hindu-voorouders zelf op mens­onterende wijze en zonder enige zichtba­re gewe­tens­wroe­ging hadden aangedaan.
 
Zo zegt de leer van “Vishnuh”: 

"Wij verstrekken geen hulp aan religie-aanhangers, volksver­klikkers en collaborateurs, want deze zijn diegenen die geen greintje verantwoordelijkheidsge­voel bezit­ten voor de mede­mens. Even­eens heeft de hebberige en verrader­lijke mens geen plaats bij ons, want bij dezulken zijn wij pas blij en vergevingsgezind nadat de dood­graver hun lijk extra diep heeft begraven en de laatste zode erboven heeft aange­stampt, want vergeven doen wij pas nadat de laatste wortel van de vijand is uitgeroeid".
 
 
Het Vishnuh-Genoot­schap was van mening dat de inheemse volksleiders en aanhang van de Indische Archipel -omdat zij hun hindu-voorou­ders verra­den hadden door hun voor­ouderlijke cultuurhistorie prijs te geven aan de Moslims-, daarom ook logischerwijs bij hen hulp moesten zoe­ken. Dat Indische volk moest voor enige hulp zich wenden tot hun eigen "heilige" mos­lim­broe­ders. Dat waren toch hun nieuwe beschermers die samen kwamen met hun nieuwe God die Allah heet?
 
... Maar met de komst van andere hebberige overzeese vreemde­lingen, dit waren de Portugezen, Hollanders en andere kwaadaardige kolo­nisten, lieten deze heilige­ Arabische mos­lim­broeders hun nieuw­verwor­ven Indische moslim­fami­lie in oor­logssitua­ties laf­hartig en verraderlijk in de steek, door met soort­geno­ten en eigen familie-clan ge­zwind te ver­trek­ken naar hun geboorteland Arabië na achter­la­ting van een infrastructurele puin­hoop. Daarnaast waren er ook de meelopers, die welis­waar ble­ven zitten waar ze zaten, want de collaborateurs in vorstelijk gewaad hadden hun plannetjes al lang klaar in afwachting van wat er komen gaat. Daarbij verkneuterden zij zich al bij de gedachte aan de grote winsten die in het verschiet lagen.
 
 
DE OPKOMST VAN DE PAD­RI'S
 
Het wange­drag van de Islam ten opzichte van de Inheemse volke­ren kreeg onder de bevolking navolging door aanhangers van de moslims. Het Vishnuh-Genoot­schap vermeldde dat tijdens de op­komst der Islam aldaar (1447-1565).
 
... Het leeuwendeel van de inlanders en de meer­derheid van bijv. de Min­angka­bauwse bevol­king die op het Weste­lijk deel van Sumatera woon­den,zich alle tot het Moslim­misme hadden bekeerd. Nadat deze zich tot de Islam waren toe getreden hadden zij nog veel van hun oude gebrui­ken bewaard, daar zij ondanks hun machtspositie nog niet helemaal zeker waren van de be­trouwbaarheid van hun nieuwe goden.
 
 
HET JAVAANSE MOEDERRECHT WERD INGEKAPSELD
 
De Sumatraanse maat­schappij was gebouwd op het moe­der­recht, wat feitelijk recht­streeks in strijd was met hun nieuwe "ware" Leer van de Walli-jullah Moham­med. Aanvanke­lijk leverde dit geen pro­blemen op, totdat enkele Min­angka­bauwse Mekka-gangers in Arabië in con­tact kwamen met de fana­tieke sekte der Waha­bie­ten. Na hun terugkeer begonnen ze op Sumatera en andere vrij­gevochten gebieden een strengere vorm van het mohammedaans geloof te predi­ken. Dit werd beloond met een groot aantal volgelingen waardoor de "Padri's" (dit was de naam die deze fanatie­ke­lingen zich­zelf gaven), gemakke­lijk hun gelederen konden ver­sterken en uit­brei­den. Deze op westerse kruis­tochten geba­seerde manier van zieltjes winnen kreeg steeds meer greep op de Archipelese bevol­king.
 
 
HET GODDELIJKE FANATISME
 
Het fana­tisme van deze padri's (= religieuze moordenaars) reikte echter zo ver dat zij hele dorpen en volksstammen in de wij­de omge­ving die niet tot hun gele­deren wilden beho­ren of toetre­den op geweld­dadige wijze over­mees­terden en tiranni­seerden. Het woord "Padri" is afge­leid uit het Spaans-portu­gees woord voor Pater (= religieuze gees­telijke). En de wrede handel­wijze van deze Padri's ten opzich­te van het eigen volk met als leidraad de "Koran" namen zij over uit de verha­len van de Oosterse en Wester­se kolonis­ten van destijds zodat deze Padri's (= Minangka­bau­wers) nog wreder werden ten op­zichte van hun eigen landgeno­ten.
 
De schaam­te­loze ver­tel­lingen van de trotse Moslims en Katho­lieken waarin de verhalen over hun gewe­zen kruis­toch­ten, zieltjes­jach­ten, heksen­jach­ten en inqui­sities namens hun "God" werden goedgepraat, maakte dat de Padri's nog fanatieker werden met bekeren van hun eigen soortgenoten en andere inheemse volke­ren tot de Islam.

De Islamitische en Katho­lieke missi­ona­rissen waren nogal zeer ingenomen over de wreed­aardi­ge en meedogen­loze wijze waarop hun voorgangers vroeger zielen hadden ge­wonnen namens hun heilige gees­t. Volgens de religieuze denkwereld van die tijd kon over­heersing van andere volke­ren immers alleen ge­schieden met behulp van de scherpte van het zwaard, en dat in naam van hun heiland de grote verlosser.
 
Al spoedig werden al de insi­nua­ties van het Vishnuh-Genoot­schap jegens de kolonisten bewaar­heid, blijkens onder meer de ge­schie­denis waarin ook de grote meerderheid van de Indi­sche volke­ren zich achter­af reali­seerde dat de theo­rieën van deze "Pad­ri's en van de Wali's en van de Germaanse zendelingen ge­richt waren op vernie­tiging van hun oorspron­kelij­ke Hindu-Buddhistische cultuur­stelsels. Zodoende­ beleefde de Indische bevol­king in de begin ­ja­ren de onder­gang van hun, door de missi­ona­rissen gehate, cul­tuur­stel­sel als in een nacht­mer­rie.
 
De praktij­ken van deze pad­ri's waren vergelijk­baar met de han­del­wijze der moed­jahed­dins (arab.= iemand die gewa­pend strijd levert voor de Islam) precies zoals de handel­wijze van de katholieke kerk en van de Europese ridders ten tijde van hun jacht naar zieltjes voor de kerk, de jacht naar heksen, de jacht naar andersden­ken­den en de jacht naar ketters. Zij die niet-gelovig waren noemde men ketter. Het woord ketter is grieks voor iemand die af­wijkt van de algemeen gangbare opvat­tingen (zie ook Sud­ra)". Zo belandde het Indi­sche volk steeds meer en meer in de handen van deze onder­druk­kers.
 
Het Vishnuh-Ge­noot­schap had het dus goed voor­uitge­zien:
 
"De nieuwe overzeese vreemde­lin­gen (Europeanen en andere roofdieren) wilden alleen maar geld ver­die­nen, gebie­den veroveren en vreem­de volkeren over­heersen, want oorlog voeren leidde immers tot grote win­sten en konden zij hierdoor de specerijen van de veroverde gebieden gemakke­lijk drukken.
 
Daarover zegt de leer van Vishnuh: 

"de éne hebzuch­tige mens verschilt niet veel van de andere hebbe­rige mens, zij worden beiden be­heerst door verwaand­heid, hoogmoedswaan, jaloezie, machtswellust en egoïsme".


KUWALAT = DE NATUURLIJKE STRAF.
 
Met de komst van de mos­lim­ver­brei­ders, de walli-jul­lah's- begon de verza­king van voorou­der­lijke plich­ten en de ver­waarlo­zing van de Adat werd massaal een feit onder de in­landse bevol­kings­groepen en vorstendom­men.
 
... Als gevolg van Islam intri­ges en andere moslimse gemeenheden werd de Indische bevolking -deels door de ei­gen licht­gelo­vig­heid en deels door naïvi­teit-, op hun eigen grond­ge­bied gean­nexeerd en later onder het juk van de Islam op allerlei mensonterende wijze verne­derd, gruwelijk onder­drukt,verra­den, ten­slotte vernie­tigd en onderworpen aan het Mos­limsgezag. Zo ging het volk op in de Islam, beroofd van al haar voorouder­lijke waardigheid en ont­daan van haar voorvader­lijke trots en eeuwenoude cultuur. Dit was het begin van hun "KUW­ALAT" (­de Natuurlijke straf).
 
De hanteerba­re stel­ling van het Vishnuh-Genoot­schap daarover luidde toen alsvolgt : "Alwie zijn billen brandt moet ook op de blaren gaan zit­ten -.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 
 

 

 

 

 

 

 

 

 


De Leer van Vishnuh zegt ten aanzien van het Indi­sche volk het volgende:

"De koloniale overheersing welke de Indische volke­ren in volledige machteloosheid ondergingen dienen te worden aange­merkt als de Natuur­lijke straf (Kuw­alat). De Kuw­alat, dat is het lot van overlopers en verra­ders, dit is de straf die zij terecht ver­dienen voor al het geen zij hun bloedei­gen Hindu-stam­ou­ders met behulp van de moslim zende­lin­gen gewe­tenloos hebben aange­daan. Daarbij hadden zij onbe­zorgd en met veel plezier ge­noten van de volle onder­steu­ning van de Moef­ti's (= arab.isla­mi­tische wetgeleerde en raads­man), die deel uit­maakten van de eerste arabische zendelingen en de Moeèzzins (= arab.­moskee func­ti­onaris die tot taak had de gelo­vigen op te roepen tot het verplich­te gebed "de sa­laat") die gebroederlijk de Indische bevolking op werke­lijk gewelddadi­ge wijze syste­ma­tisch de keel af­snoerden."
 
Zo zegt de leer van “Vishnuh”:

"Het Indische volk heeft gewoon datgene gedaan hetwelk hun vroe­ge­re lei­ders (de inheemse adel) ook hadden misdaan, n­amelijk "samen­heulen met de vij­and" waar­bij zij, ondanks hun samenzwe­ring met de volks­vijand het bij alle partijen niet zo goed af­bracht, want zij werden ook door deze vreemde over­heersers beschouwd als volksverra­ders en met volksver­raders ver­ging het net zo erg als diegenen die des­tijds door de kolonisten onder­worpen, gemarteld en onteerd werden. Daarom zijn wij ook geen fan van de landen en volken die niet van het verleden hebben geleerd, aldus huidig op dezelfde door het kolonialisme vastgelegde leefwijze doorgaan. Zij die zweren op de godsdienstleren van hun vroegere onderdrukkers zijn de verachtelijke verraders van hun eigen voorouders en cultuur. Zij hebben feitelijk bijna niets van zichzelf, bijna alles is van een ander dat nimmer de hunne zal zijn."
 
 
HET MASSALE VOLKSVERRAAD
 
Het massale land- en voorouderlijk ver­raad door de Indi­sche volken en typen op de archi­pel in de begin­periode van de kolo­nisa­tie door vreemde mo­gendhe­den, begon ten eerste met de toela­ting van het mos­limmisme in eigen gele­de­ren, waarna de 1ste eeuw date­rende Hindu-cul­tuur onder­ge­schikt werd gemaakt aan de islamitische infra­struc­tuur en diens­t­baar gemaakt aan de Islam. Hier­bij werd later de indruk gewekt alsof moslims de stich­ters waren van de vele hon­derden Indi­sche staatjes, die de Archipel toendertijd alreeds rijk was. De tweede fase van het volks- en voorouder­lijk ver­raad trad in met de komst van westerse macht­sinvloe­den. 

Be­grijp het goed, de buitenland­se landrovers en volksuit­bui­ters waaronder de, Moslims, Portuge­zen, de Hollanders, de Engelsen en de Jap­pen, hebben tij­dens hun kruis­toch­ten op de archi­pel alle staten en dorpsge­meenschappen die niet naar hun pijpen wilden dansen uit moed­willige opzet met de grond gelijk gemaakt en onderworpen aan hun gezag. Tenslotte gaven zij dit ten geschenke aan hun trouwe inlandse helpers.
 
 
DE LIJFSTRAFFEN

De lijf­straf­fen die de in­landse volkeren toen met veel smart en in machteloosheid onderging, geschiedde wanneer deze geen blijk gaven van sym­pa­thie tegen­over de kolonisten. ...

....Allereerst had je de Tandil en de Mandòr bemid­de­laar tussen be­drijfs­leiding en werkvolk, dezen kregen voor nieuw aange­brach­te werk­mensen een bepaald percen­tage loon en of kregen de aanstelling als ploegbaas (opzich­ter); zij onder­scheiden zich van het gewone werkvolk door hun kleding, een lachwekkend hoedje, veel te grote schoenen, en een stok als teken van waardigheid, daarbij moesten ze de beschikking ­hebben over een hard stemge­luid om bevelen te kunnen opdragen, beve­len die vrijwel altijd snauwend en schreeuwend werden gegeven. Het gros van deze ploegbazen kwam na de tweede wereldoorlog (50-er jaren) in aller­ijl naar Neder­land en dank zij hun hoge ver­dienste op de archi­pel hier te lande sinecure ambtenaren functies be­kleed­den; par­ket­wacht, hulp-ambtenaar, verklikker voor justitie, politie enz......

.....Vele inlandse verraders bleven daar op Indië on­danks het aldaar aanwezige doodsgevaar wat collaborateurs en landverraders toen te wachten stond. Dat deze groep hun verblijf aldaar op de archi­pel niet zouden over­leven was voor de hand lig­gend. Zij waren immers in de ogen van het ver­drukte Indi­sche volk de hebzuch­tige soort­genoten die de kolonisten bijstonden met het uit­moorden van allerlei inheemse volke­ren van de Indische archi­pel. Deze waren de kolonia­le verra­ders die hun eigen stam of volk broe­der­lijk met de vijand de dood injoegen, en al deze wandaden werden begaan om daar zelf beter van te worden.
 
Menige ploegbaas dreef bovendien vaak woe­ker­handel onder zijn koelies, waar­door hij ze volkomen afhan­ke­lijk van hem stelden, ze dwongen de koelies b.v. tot het kopen van artikelen die ver boven de marktwaarde lagen, en verreken­de hen dan zodanige voor­schot­ten dat deze onder hen staande ­koelies het nieuwe seizoen begonnen met een oude schuld, op grond hiervan ver­plichten zij hen om op de plantage of in de mijn te blijven werken; de ploegbazen vaarden daar wel bij en het is dan ook niet zo ver­wonderlijk dat door toedoen van deze hoofdopzich­ters de beruchte speel­loodsen voor dobbe­len, even­als de opium­ verkoop sterk toenamen...
 
 
DE SLACHTOFFERS VAN HET KOLONIAAL SYSTEEM

Chinese koelies (=Sanskriet woord voor sjouwer, mindere arbeider) hadden eerst de overhand, maar tegen de 19de eeuw trad er enige verandering in deze situatie. Men ging er toe over om het aantal Javaanse arbeiders te ver­gro­ten, en omdat dezen in gezinsver­band kwamen begon men met het aanstel­len van vrouwen- en kinderar­beid. Deze nieuwe groep arbeiders be­stond uit Indiërs even­als Batak­kers, Maleiers, Boy­ans, Kl­ings, Bandja­reezen en Siame­zen, Baline­zen, Soendanezen, Java­nen, enz.
 
... Onder de nieuw aangeko­men vrouwelijke koelies waren verschei­dene niet ouder dan 10 tot 14 jaar en werden gebruikt voor zowel licht werk als sorte­ren en bundelen van tabaksbla­deren, het wieden van perk­planten etc.; als het zwaardere werk zoals grind bagge­ren, stenen kloppen, beertonnen van Chinezen en Hollanders weg­dragen en legen, enz.....

....Naast het feit dat ze dit werk ver­richt­ten kwam ook nog bij dat ze 's nachts hun lich­aam voor een stuk oud brood moesten aanbieden en wel aan een elk die als compensatie enig voedsel wilde afstaan. Deze vrou­wen werden namelijk wat loon betrof sterk achter­uit gesteld op mannen ; afgezien nog van het feit dat zowel mannen als vrou­wen en kinderen vaak in ­oogsttijd en daar buiten tot diep in de nacht verplicht moes­ten doorwerken wilden ze een bepaald minimum inkomen verkrij­gen om te overle­ven dat feitelijk net genoeg was om nog niet dood te gaan. Vaders verkochten dochters om het hoofd boven water te houden. En als het werk niet zo vlug vorder­de werden ze mid­dels loonin­houdingen be­dreigd zodat zij zich gedwon­gen voelden om door te blijven werken tot bam..... 


Dat Westerse rege­ringssyste­men toentertijd al hypo­criet waren is tegen­woordig nog gemak­kelijk te herkennen aan hun huidige regeringsbeleid, welke gegrondvest is op rechtmatigheid. Om nog maar niet te spreken van de schaam­teloze manier waarop uitbe­ta­ling tijdens het koloniaal bewind plaats­vond en waaraan vele ondernemingen zich schuldig hebben ge­maakt, zij gaven hun eigen geld uit of­tewel zelf ge­maakt papiergeld of metalen schijfjes die alleen in de eigen onder­ne­mingswinkel geldig waren, zo bleef het geld binnen het bedrijf; het merendeel van de koelies die waren ge­komen ver­trokken even berooid maar des te meer afgepeigerd te­rug naar huis wanneer hun werkcontract erop zat.... 

...Ik spreek ­hier­bij nog niet eens van de erbarme­lijke en mensont­erende toe­standen in barakken, doorgaans waren er geen "sani­tair" z.a. toiletten en of wasruim­te, geen aparte ruimte voor zieken; de zieke moest zelf maar 5 tot 10 minuten lopen naar de rivier en anders maar niet baden en of wassen; gewoonlijk lagen de zieken en de niet zieken, mannen en vrouwen en kinde­ren naast en door elkaar te slapen op bedden van hout of ijzer­draad met slecht­s een jute­zak onder zich, in enkele geval­len had men de be­schik­king over een afgedankte laken, en wat hygiëne aanging, die was toen nog ver zoek. Men nam het dus niet zo nauw met de hygiëne want het be­trof hier toch maar het gewone werkvolk, dat alleen goed genoeg is voor het zware werk en aldus goed genoeg om zich als het ware dood te werken.....

 
Zo floreerde naast dit alles de gedwongen arbeid onder het toeziend gezag van de Hollandse staat. De koelies die het zware werk niet meer ­aankonden en wegliepen werden met behulp van opspo­ringsbrieven en geweld terug­gehaald om dwang­arbeid aan te gaan. En als af­schrikking voor het nog aanwezige werkvolk kregen de weggelo­pen koelies ten overstaan van ieder­een ­een gruwelij­ke pak slaag, bovendien werd het slachtoffer na het pak slaag overgoten met zoutwa­ter.
 
 
DE STRAFPAAL
 
Allereerst was daar de strafpaal, na daarop hard­handig te zijn vastgekne­veld , werd men gege­seld met be­hulp van een bepaald soort touw dat diepe strie­men naliet (spe­ci­aal geprepareerde rotan van bepaalde dik­te in water ge­weekt) met een speciaal aangeleerde slagtech­niek voor een zo groot moge­lijk effect. Dat de ploeg­bazen goed waren in mishan­de­len blijkt uit de aangeleerde sadisti­sche folter­tech­nieken van hun kolo­niale leer­meesters. Dus van wie hadden deze volksverraders dat soort wreedheden allemaal geleerd? En wie heeft hen geleerd om de eigen soort uit te moorden? ....van- en door de koloniale overheersers uiteraard....

.....Deze afschrikwek­kend- en tevens weer­zin­wek­kende martelin­gen werden gepleegd onder het mom van de bij­belse spreuk, -spaart den roede niet- tevens gingen de kolonisten er van uit dat dit de enige mogelijkheid was om dit min­der­waardi­ge inheemse volk in be­dwang te houden; velen die met stok en of rotan­slagen werden ge­straft hielden er duide­lijk ­zichtba­re verwon­dingen en of verminkin­gen aan over, ­vele vrou­wen die deze wegloopstraf ondergingen kregen hier­door een miskraam of bij voldra­gen of ge­deeltelijk voldra­gen zwanger­schap een dood gebo­ren baby..... 

.....Waar ik mij altijd weer aan erger is de farce, het rookgordijn dat de in Nederland aanwezige Indo's en toenmalige Indië-gan­gers ophouden, de verhalen over het vredige Indië van wel­eer, de welvaart van toen, de plantages en de baboes en andere ­talloze bedienden die men op na hield. Dit zijn degenen die verra­dersbloed hebben ­geërfd en er mee parmantig lopen te pronken. 

 

 

 

 

 



 
 

 

 

 

 

 

 

 

 


 
Zo zegt de leer van "Vishnuh":
 
"Het gevaar schu­ilt "in de eigen vertrouw­de kring, want het denksysteem (= het brein) van de mens ver­tegen­woordigt en herbergt het "gevaar" zelf. Daarom dient een ieder in kri­tieke situa­ties zich eerst zeker­heid te ver­schaf­fen over de loyali­teit van de mensen in zijn onmiddel­lij­ke omgeving. Daarvoor dient men dan telkens weer in twij­fel­situa­ties bij zich­zelf te rade te gaan, met de vraag­stel­ling "hou ik nog vol­doen­de van mezelf ?" Is het antwoord hierop positief, neem dan maat­rege­len tegen onver­wachte onaan­ge­naam­heden, doch is het ant­woord negatief, dan dient u zoals reeds omschreve­n ook onver­minderd door te gaan met het tref­fen van maatregelen tegen onvoorzie­nighe­den. En vertrouw vooral nooit uw eigen schaduw."


Het Vishnuh-Genootschap zelf heeft altijd de voorkeur gehad te leven in afgelegen onbewoonbare gebieden, het liefst met zo min moge­lijk volksstammen in haar onmiddellijke omgeving. Maar Waarom dan?
 
Daarover zegt de leer van "Vishnuh" het volgende:
 
"Het is niet de mens die wij vrezen, maar hetgeen wij vrezen is het wezen in ons-zelf. Wij zijn in principe geweldloos, maar alwie ons tart zal verschei­den welke zonder meer zal worden vergezeld door zijn gehele stam. Vechten is niet fijn, maar als de vijand toch zo graag wil vechten, slaan wij altijd zo hard mogelijk toe zodat de vechtgrage vijand het slagveld in de toekomst angstvallig blijft schuwen en als de vijand groot is hakken we ze vanaf de onderkant af, want ook grote bomen zijn omhakbaar. Vechten is geen recreatie, maar een onplezierige noodzakelijkheid."
 
In de geest van die woelige tijden van weleer, van kop­pen­snellende volke­ren en in­landse kannibalen-stammen met vreem­de "eetge­woontes", werden zo ook enkele beschermelingen behorend tot de boodschappers­gilde van het genootschap overrompeld, gedood en opgegeten. Naar aanleiding hiervan heeft het vishnuh-genoot­schap door de geschie­denis heen op de Indische Archipel, een legio van deze stammen zonder pardon uitge­roeid. Bij deze vereffe­ningen werden nooit gevangenen ge­maakt, omdat dit niet binnen de filo­sofi­sche levensbeschouwing van het genootschap past.
 
De leer van "Vishnuh" zegt:
 
"Een vij­and dient men niet te voeden noch te ver­zorgen. Er gaat teveel tijd in zitten die wij beter anderszins kunnen gebruiken. Bovendien ver­schaft men geen onderdak aan degene die een ander zomaar van het leven trachtte te beroven. Trach­ten betekent bij ons "u heeft ge­dood", want als het de vijand was gelukt om ons uit te roeien, waren wij nu reeds lang vergaan. Daarom kennen wij geen enkel excuus voor degenen die vredelie­vende volkeren probe­ren te overrompe­len of te doden. En juist omdat verge­ven en vergeten van de vijand deel uit­maakt van de mense­lijke Na­tuur hande­len wij alszoda­nig; eerst afmaken zodat wij spoe­dig daad­werke­lijk alles kunnen verge­ven en verge­ten. Men kan zijn vijand slechts vergeven en vergeten zodra er vanuit die hoek geen enkel gevaar meer be­staat, want alleen wan­neer de wortel van de vijand is uitge­roeid kan men vergeven en verge­ten, en laat verder de bloedige erva­ringen de ontoe­laat­baar­heid tot het plegen van een onge­oor­loofde daad jegens een onschuldig wezen of stam aan ieder­een, zowel aan vriend als vijand duidelijk zijn en dat deze le­vens­erva­ringen en overwinningen voort­gaan in weder­zijds res­pect en begrip als levendi­ge herinne­ringen in de Geschied­verhalen van de over­winnaar".
 
Daarover zegt de leer van Vishnuh:
 
"Wie schuldig is zal op een dag in een fractie van een seconde horen het suizen van een klewang; dit is het laatste wat men dan nog zal vernemen van het leven.
 
 
DE HARDE TIJD VAN WELEER
 
De wereld zag er in die bloeddorstige tijd overal heel anders uit dan nu. De mensen zagen er echter qua uiterlijk niet anders uit, maar dachten wel anders ten opzichte van wereldse zaken en hielden een heel merkwaar­dige levensop­vatting en wereldbeschouwing op na die van stam tot stam, van bevol­kings­groep tot bevolkings­groep, van dorp tot dorp en van familie tot familie zeer van elkaar ver­schil­de.
 
Vooral de levens­opvattingen die een groot gevaar konden bete­kenen voor het voort­bestaan van het Vishnuh-Genoot­schap en die het welzijn van vredelievende volks­stammen konden ondermij­nen waren al redenen genoeg voor het genoot­schap om een gron­dige aanpak (Bhabhatan= uitroeiing) jegens moge­lijke vijan­dige stam­men nood­zakelijk te achten. Behalve vijan­dige- en mensen­vlees etende stammen waren er ook bevol­kings­groepen die in het geheel niet vijan­diggezind waren, daarom was het heel belang­rijk om de diver­se levens­op­vat­tingen van deze mensen­vlees etende- en andere toen voorkomende in­land­se stam­men te ken­nen.
 
Zo zegt de leer van Vishnuh:
 
"Wij willen ook leven gelijk hen en het liefste in vrede met iedereen, want de wereld is ook van- voor iedereen."
 
 
DE WEZENLIJKE FACTOREN TOT "BABHATAN"

Twee essentiële factoren bepaalden bij het Vishnuh-Genootschap altijd het besluit om tot algehele vernieti­ging van een bloed­dorstige stam over te gaan;

1. zij die doden op basis van hun bloed­dor­sti­ge aard en zij die in de wilde weg doden op grond van bloed­dor­stig­heid. De Leer van "Vishnuh" redeneert hierover als volgt: "zij die het verschil tussen de vrede­lievende-, kwaad­wil­len­de s­tammen en onschuldige wezens, door het één of ander niet willen zien zijn de schen­ders van het leven, en deze schen­ding kan alleen door "Bhabha­tan" (gehele uit­roeiing van de vijandi­ge stam) worden goed­ge­maakt, want deze heeft dan ook geen recht meer van leven".

Het is door de eeuwen heen en in de latere ge­schiedont­wikke­ling van de Archipel gebleken, dat talrijke vredelie­vende en niet weer­bare stammen de con­fronta­tie met deze gewe­tenloze inheemse volkeren door alleen te praten niet hebben overleefd en in dier voege ook nooit konden over­leven. Het bloederige tafe­reel dat altijd een gruwelijke decor vormde van een slacht­partij en de bloed­dorstige manier waarop in­landse wilden hun gevan­ge­nen dan af­s­lacht­ten bleven de onge­lukkigen, voor zover zij nog bij be­wustzijn waren, zeker niet onbe­spaard. Ook de vredelie­vende en voor­beeldige cultuur van sommige van hun buitgemaakte gevange­nen vormde duidelijk geen enkele uitzon­dering om voor gratie in aanmer­king te komen. De bloed­dorstige stammen lustten immers alles wat er maar bewoog, onge­acht de theorie en of leef­wij­ze van hun prooi. Hun monde­ling over­geleverde voor­ouder­lijke Adat schrijft trouwens al eeuwen voor; "Alles is eetbaar, het is opeten of opgegeten worden".
 
 
Daarover zegt de leer van Vishnuh:
 
"Omdat wij weten, "dat alles eetbaar is en het is opeten of opgegeten worden", hebben wij ook nooit de intentie gehad om vijandige stammen te aaien noch te vertroetelen, maar onze stelling was normaliter gewoon "kop eraf en klaar". Bij voedselgebrek roosterden wij de lichamen en aten ze met smaak op. Beschaving of niet, het was destijds inderdaad eten of opgegeten worden, en als men geen kannibaal was dan werd men wel één."
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Eet Smakelijk

 

 

Zo zegt de leer van Vishnuh:
 
"In vroegere tijden op de Indische archipel was het zo: Of men, beschaving en principes had, of niet, was allemaal niet relevant, want als men geen kannibaal was, werd men dan zeker een. Er is een tijd geweest waarbij de drang naar overleving, dus de hongersnood, sterker was dan elk ander beschaving. Ook de goden zaten smakelijk mee te eten, helaas werden ze later opgegeten door hun trouwe aanbidders. Het was toentertijd eten of opgegeten worden."
 
 
Van hier­uit werden deze bizarre leefgewoonten en ge­schiedver­halen opgete­kend evenals de be­schrij­vingen betref­fende de vele gelever­de veld­slagen tegen roof­zuch­tige koppen­snel­lende volks­stam­men en wier leef­regels en bloed­dorstige leefge­woontes hun schri­f­telijke ontstaan vonden tijdens de g­eschie­dschrijving door het Vishnuh-Genoot­schap (anno 148), onder het gezag van Mahapanditòh Banjar-Pandé in de Candi suwung die geves­tigd was aan de bene­denloop van de mahakam rivier op midden-Java.
 
 
ANNO 1800

In de 18de eeuw besloot het Vishnuh-Genootschap zich terug te trek­ken en vertrok gezamenlijk met de overgebleven nageslachten van de Mojo­pahit dynastie vanuit Bali, Borneo (Javadvipa), Celebes en Java, Oostwaarts de evenaar volgend over water en land en be­landden in 1860 via Afrika in het werelddeel Zuid Ameri­ka. De "Pencak-Silat" ge­vechts­leer werd in zijn geheel slechts binnen de eigen orde doorgege­ven, aan leden van de Ida-Bagus dynastie. Bij deze overtocht nam het genootschap al haar voorouderlijke pusaka's mede, welke altijd zorgvuldig binnen de eigen orde zijn bewaard gebleven als de overdrachtelijke erfdelen van het vishnuh-genoot­schap, en die van generatie op gene­ratie steeds ge­trouw binnen de eigen orde is overge­dra­gen.

Dat de Indi­sche Archipel niet de enige plaats was die deze uit India af­komsti­ge Hindu-boeddhistische priesters aande­den, blijkt uit de aante­keningen in de kronie­ken van het Vish­nuh-Ge­nootschap over de Chinese provincie Buan-Ya (het huidige Huang) en over de Chine­se gevechtskunst Kung-Fu. Ook daar heb­ben Indi­sche pries­ters van weleer­­­ een gemeen­schap­ opgericht; dit klooster staat in de buurt van een dorp. ­Door de ligging van het dorp hadden de priesters wel contact met de dorpelin­gen in de wijde omgeving. Maar doordat zij een eigen genoot­schap bezitten met enorme terreinen erom­heen, leven zij toch in een eigen besloten gemeenschap waar zij zich uitste­kend konden onderhouden door het planten van allerlei ge­wassen en het ophouden van een gemeenzame veesta­pel.­­­­­­­­­­­­­­­­­­ ­­

De Pencak-Silat is geen sport. Toentertijd kende men het begrip sport niet. In die tijd werden geschillen tussen ko­ninkrijken en hun legers beslecht op de slagvelden waarbij zij elkaar op leven of dood bevoch­ten, en niet voor de sport of voor een beker maar om hun leven te verdedigen tegen de vijand of tegen boos­aardi­ge volks­stam­men.

Toender­tijd waren de Natuurlijke omstan­dighe­den als zoda­nig, dat het juist voor een ieder zeer raadzaam was zich volko­men te ori­ënteren op de eigen veilig­heid en van de omgeving. De waakzaam­heid die daarbij werd betracht ten opzichte van de directe ­omge­ving had ten doel de veel voorkomende gevarensituaties van die tijd het hoofd te bieden. Daarin werd de medeverantwoorde­lijkheid en de rol van de woonge­meen­schap als eenheid dikwijls heel zw­aar­­ ­op de proefgesteld. Helaas wilde koninkrijk na konink­rijk steeds meer machts­vertoon met behulp van de ge­vechtsleer van deze Hindu-boeddhis­tische pries­ters.
 
Er zijn gedu­rende de eeuwenlange koloniale onder­druk­king door diverse mogend­heden, vele toenma­lige in­heemse koninkrij­ken ver­volgd, verbannen, ver­moord en uitgeroeid en tenslotte ver­dreven van hun stamou­derlijke lande­rijen en volko­men be­roofd van de grond­gebie­den hunner voorouders. Vele vroegere vorsten en de rijke­lijk aanwe­zige beschavingen stier­ven mas­saal door de puputan. Ten gevolge hiervan namen zij bewust konink­lijke en volksgeheimen mee het graf in.Er is daar op de Indische Archipel teveel gebeurd....
 
 
WAT IS PUPUTAN?
 
Pupu­tan is een massale en/of gezamenlijke zelfmoord van een koninkrijk en haar hofhou­ding als een neder­laag voor handen is, om zo­doende de eer aan zichzelf te hou­den. Daarbij moesten de goeden onder de kwaden lijden. Op deze manier gingen gro­te ­stukken volksge­schiedenis en van de Indi­sche Archipel verlo­ren die tegenwoor­dig moeilijk zijn te achter­halen. Mas­sa's voor­aan­staande nageslachten geloofden in eerher­stel via de pupu­tan. Maar geloven bracht hen slechts tot zelfvernietiging.
 
 
WAT IS "LÒNTAR"?
 
LONTAR is de gedroogde palmblad van de lon­tar­palm. De lon­tar­palm (= de Uwit Suwilan) is een tropische boom, beho­rend tot de fami­lie van de Palmea (of Arecaceae), met grote blade­ren die meestal als een toef aan het eind van de stam staan en door­gaans zonder takken. Lontarboeken zijn dus heel oude boeken ver­vaardigd van gedroogde palm­bladeren waarin het oude Sanskriet en Lontartaal, de 195 leren van "Vishnuh" be­schre­ven zijn.
 
Over het algemeen bestaan er Lontar­ge­schrif­ten in diver­se variaties, dit komt doordat vroeger "bij­na" iedere vorsten­dom een eigen schrift hanteerde die in deze tegen­woor­dige tijd niet of slechts gedeel­telijk kunnen worden ontcij­ferd door een handjevol ingewijden. Families in rechte lijn die momenteel in bezit zijn van Lontar-boeken, zijn zelf niet in staat hun eigen familie-kropak te ontzenuwen; de conserva­tie­ven onder hen voelen er niet de behoefte toe dit ook maar te proberen, daar zij in de veronder­stelling zijn dat dit moge­lijkerwijs onaan­gename consequenties met zich mee zou kunnen brengen. 

...Angst om de voorouders te be­ledi­gen of te grieven; anderen menen weer dat het trachten te vertalen van familiegeschrif­ten zou kunnen leiden tot destruc­tieve gevolgen voor de volgende generaties. Sommigen opperden dat dit geen goedkeuring van hun voorouders zal wegdragen en het kwade der dingen zich dan over de toekomstige nage­slachten zal kunnen gaan uitstrekken. Anderen leefden met de voorin­geno­menheid, ook dit onleesbare onderdeel van hun culture­le erfgoed met de nodige behoed­zaamheid en eerbetoon in beschou­wing te nemen en deze zo lang als mogelijk in de zuivere vorm te handha­ven als een "poesaka".
 
Een poesaka of erfstuk kan van alles wezen, b.v. wapens z.a. krissen, slag- en steek­wapens, lectuur z.a. lon­tarboeken, gedichten, overgeleverde verhalen, reli­kwieën, wajang­poppen enz.
 
 
DE KRIS, DE PUSAKA'S

Wat is een Keris (uitspr.kris) en wat betekent Wayang, en hoe luiden de officieuze en officiële verhalen hierover? WORDEN KRISSEN AL­TIJD ALS FAMILIE-WAPENS GE­BRUIKT?

In de wapenleer (= Kawruh Gegaman) van Vishnuh is hierover het volgende geschre­ven: "Elke kris of welk wapen dan ook, welke geldt als privé-bezit, dient te vol­doen aan de eisen van een stan­daard­maat die bui­ten­dien aangepast moet worden aan de struc­tuur van de gebruiker zelf zodat hij het zich eigen maakt.
 
'... Zo moet het lemmet van een kris recht of golvend zijn. Het aantal golvin­gen moet altijd oneven zijn en een goede kris kan er tot negen (9) hebben en niet meer. Indien een kris meer dan de vereiste 9 golvingen heeft dient deze kris dan zonder twijfel be­schouwd te worden als een slechte kris die niet de eigen­schap bezit voor een reële gevechtswaar­de.
 
Doch in de loop van de archi­peleze geschiedenis zijn er een heleboel krissen met meer dan NEGEN golvingen gemaakt en gebruikt in onderlinge oorlo­gen. De mens heeft altijd al getoond dat zij de gave bezit om te over­drij­ven, het is hele­maal nergens voor nodig om een kris met meer dan de vereiste NEGEN gol­vingen uit te rusten. Het aan­brengen van meerdere golven in deze gevechtswapen kan voor- en in het gevecht hinderlijk zijn vanwege haar lengte en andere fac­toren zoals materiaalsterkte, staaldikte, etc.
 
Met andere woorden;
 
"Een Kris met meer dan 9 golvin­gen is waardeloos in het ge­vecht en bezit über­haupt geen enkele gevechtswaarde en de magi­sche krachten die men aan kris­sen toe­schrijven zijn evenzo belache­lijk. Vele vroegere volkeren geloof­de al de verzinsels van hun makers, maar op grond van respect hebben wij al hun sproo­kjesverhalen over de kris opgetekend.
 
 
Al het bijge­loof rondom de kris werd bedacht door de bemoei­zieke Walli-jullah's" (= de verbrei­ders van de Islam). Later in de ge­schiede­nis werden deze fantastische verhalen aange­dikt door de latere kolo­nisten en andere belanghebben­den. Zodoende werden de oorspronkelijke maatstaven van o.a. de Kris en andere Pusaka's ver­wrongen onder invloed van de inlandse collaborateurs van destijds en namens de Kolonialisatie- en voor eigen en meerdere glorie".

Op grond van de kris en andere Indische relikwieën zijn heel wat fabels in omloop o.a. van de "kris Shri Condoh" en de "kris Shri Ginje". Volgens de kronieken van het Vishnuh-Genootschap werd deze Kris "Shri Ginjè" feite­lijk op last van de 1ste Mata­ram dynastie gemaakt uit tien soorten ijzererts welke afkom­stig waren uit tien diverse plaatsen op de Archipel (van de Sunda-eilan­den). Shri Ginje werd door de 1ste mataram koning (Adhipati Sanjaya) veelvuldig ge­bruikt in diverse oorlogen tegen een legio inlandse vorsten.
 
Na de dood van Adhipati Sanjaya, werd de kris "Shri Gin­je" in zijn graf bijge­legd. Tijdens de machtsovername door de moslimverbreiders (de Walli's) werden allerlei oude graven leeg geplunderd en zich eigen gemaakt door de locale bevolking. Later in de 14de eeuw werd vertelt dat de vervaar­diging van Shri Ginje zogezegd 5 jaar in beslag heeft genomen, en dat een "Empu" (= wape­nsmid) de vijf­jarige vervaar­di­gings­proce­dure heeft gebaseerd volgens Islami­tische richt­lij­nen....

....Deze wapen­smid mocht volgens dit verhaal al­leen op de Mos­limse vrijdag (Jemoe­wah) slechts een slag met zijn hamer op het lemmet geven hetwelk bovendien verge­zeld ging van gecom­pli­ceerde rituelen en veel gebeden, waarbij de ter plekke verzon­nen heilige toverspreuken er niet ontbraken. Deze kris zou nadat hij af was gelijk verbor­gen zijn vanwege de grote krach­ten die hij zou uit­stra­len, en een mens die de bergplaats te dicht naderde stierf meteen. 

*Wie feitelijk volgens deze moslimse vertelling deze wapensmid is geweest, die verant­woordelijk was voor de vervaardiging van deze zogenaamde geweldige en dodelijke Kris (= Shri Ginjé) weet echter NOG geen Muzzelman te vertellen en waar deze zogenoemde toverkris gebleven is weet alleen diegene te vertellen in wiens Kraton alle buit o.a. gestolen en geroofd voorouderlijk goed angstvallig bewaard worden.
 
Dergelijke wonderbaarlijke verhalen zoals wordt verhaald over de Kris "Shri-Ginjé" kunnen zonder meer worden aangemerkt als de copieuze sprook­jes van onderdrukkers en belanghebbenden. Dit mystiek verhaal klinkt precies hetzelfde wanneer gelovigen zeggen, "als het regent dan piesen de engelen".
 
 
De leer van "Vishnuh" zegt:
 
... "De toverachtige weergave en kampongverhalen over de Kris en van andere diverse stamouderlijke Pusaka's behoren tot de vele Moslimse onderdruk­kings-, bijgelovi­ge- en religieuze verzin­sels, die door de eerste Moslim over­heer­sers werden ge­bruikt om de inheemse volken van de Indi­sche Archi­pel te im­pres­sione­ren en in te palmen. Hierdoor steeg juist de macht van die onder­druk­kers, zij werden door de eenvoudige Indische inlan­ders immers voor godhe­den aangezien en verheerlijkt, en tegen goden mocht immers niets worden ingebracht, waar­door de over­heersers zich ook daar­naar gingen gedra­gen. Voor alles goldt in die tijd ook "wat niet weet, wat niet deert, want in het land der blinden is één-oog koning".

 


HET mystieke INLANDS VERHAAL OVER DE KRIS

 

 "De kris is ook voor­zien van een klederdracht, dit zijn de schede die van boven be­kroond wordt met een Wrangka, een min of meer bootvor­mige dwars­stuk dat van hout of ivoor kan zijn. De schede moet zo mooi en nieuw zijn en moet ook in de juiste magische verhou­ding tot de kris zelf staan. Zit de schede niet lekker, dan kunnen onge­hoorde narigheden er het gevolg van zijn. De schede moet voorts altijd van een opvallend mooie houtsoort zijn en moet van tijd tot tijd bekleed worden met geciseleerd goud- of zilver­werk.

 

... Toevoegingen van edelstenen, zoals dia­manten en robijnen maken een kris wel opvallend maar geven deze geen ex­tra goede eigen­schappen. Omdat de kris en zijn eigenaar een twee-eenheid vormen moet de eigenaar zijn kris te allen tijde met de groot­ste liefde en diepe eerbied behande­len. Offers van bloemen en wierook zijn een absolute must, wil de kris de man ook be­schermen. Nieuwe kleren zijn voor antieke krissen een noodzaak en het uitzoeken hiervan is een ernstige zaak waar heel veel van af­hangt, want een kris die zijn kledij onaange­naam vindt kan men niet meer vertrou­wen. Wie iemand een erege­schenk wil geven, kiest een kris, want een beter en sterker ge­schenk bestaat er niet.

 

... De kris dient wel gezien te worden als een wapen van een zeer hoog gehalte en is ook een status­symbool als geen ander. De kris beschermd de eigenaar, diens familie en zijn huis en hof tegen elk gevaar. Daarom behoort een oude familiekris tot de Pusaka (erfstuk), de gehei­ligde fami­lie­schat die nooit en te nimmer mag worden verkocht of afstand van worden gedaan zolang er mannelijke nakomelingen zijn".


Over de enkele hiervoorgenoemde fantas­ti­sche inlandse denkwijze over de Kris zegt de leer van Vishnuh het volgende:

 

"Het meeste is Lariekoek vanwege de zelf­bedachte kinder­verhaaltjes van vroegere machts­wel­lus­telin­gen (= de voormalige Hindu-Javaanse vorsten) met hun zelfbedach­te ideeën- en regels ten eigen bate, en van over het paard getil­de re­geer­ders die deze klets­koek indoctri­neer­den. Al deze mystieke onzin was voornamelijk be­doeld voor de anal­fa­beti­sche geest van die tijd teneinde het volk via geeste­lijk geweld (angsaan­jagende verhalen) te onder­drukken en uit te buiten. Het volk trapte daar ook "hei­lig" in, want ze gaven alles wat ze beza­ten aan die goden en velen stierven later een vreselij­ke hongerdood, omdat zij voor zichzelf geen voedsel meer over hielden. Zo werd het arme goedgelovige volk heilig ervan overtuigd en uitgehongerd de dood ingejaagd."

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

"Slechts enkele van de hiervoor aange­duide tradities dienen WEL be­schouwd te worden als de symboli­sche waar­den- en-of symbo­lische krach­ten van de Natuur, want voor vervaardiging van wapens waren er geen tover­krach­ten nodig. Ook waren er evenmin god­delij­ke krachten of dui­velse machten in het spel om wapens te vervaar­digen, doch slechts handen­arbeid. Al het mystie­ke rondom de "KRIS" is alle­maal gewoon pure onzin en moet uit­sluitend worden gezien als een ver­zin­sel van de hebbe­rige-, de kwaadaardige en reli­gieuze mensheid, die bovendien een grote dosis hoog­moeds­waan, bui­ten­sporige zelf­verheffing ge­paard gaande met gering­schat­ting voor anderen bezit".

 

DE TIJD VAN NU...

Tegenwoordig blijken "Krissen" en vooroud­se Indische wapens zeer geliefde verzamelingsobjecten te zijn, zo bezitten de Kraton van "Jogya" en "Solo" er ondertussen heel wat,­ vaak uit andermans graf geroofd. Heilig­schennis en plundering begon vanaf de 15de eeuw met de komst van de moslimverbrei­ders en was sindsdien orde van de dag. Ten overvloede merk ik hierbij op, dat de Indonesische adel bij alles keer op keer weer haantje de voorste was/is.

 


SMEEDTECHNIEKEN, VERSIERINGEN EN SYMBOLIEK

Het smeden van het lemmet is niet zo simpel als het wel lijkt, want het op mekaar smeden van Pamor en ijzer, waarbij het zil­verachtige patroon volgens gewenst model wordt verkre­gen, is een kunstwerk op zich dat enkel een Empu (= wapen­smid) be­heerst. Als handvat heeft een echte kris een Ukiran (= ver­sier­sel), die wordt vervaardigd van goud, brons, ivoor, hoorn of een kostba­re hout­soort (z.a. Jathihout). De ukiran van een echte kris word­t altijd door een vakman op dit gebied gesne­den.

 

WAT IS PAMOR?

Krissen werden aanvan­ke­lijk ver­vaardigd van mete­oorij­zer. Ko­meet­ijzer werd dus toen al toegevoegd aan het gewone ijzer­erts. Dit was het meest denkba­re materiaal voor de goede gevechtswaarde van een kris, en het komeetijzer waarmee Kris­sen werden gemaakt heet "Pamo­r". "Pamor" is een nikkelhoudend ijzer en geeft de mooie patro­nen die el­ke echte kris op het lemmet heeft. Bij het samensmelten van de te gebruiken metalen "huwt" Pamor met ijzer en dit geeft de krach­ten (de hardheid van het metaal) aan een "KRIS".

 

... In de Kraton van Solo huist de Pamor Pramba­nan, een brokstuk van een meteo­riet die vroeger overal bezaaid als afkom­stig uit de ruim­te verspreidt op de archi­pel neer­stortte waarvan één dicht­bij de tempel terecht­kwam en werd genoemd naar die tempel PAMOR "PRAMBANAN".... 

...Later in de ge­schiedenis hebben plaat­selij­ke belang­hebbende notabe­len toverkrachten toege­schreven aan dit ruim­te­gruis (­mete­o­riet­steen), en gaven het de naam "Kiyai Pamor" (= de hoogver­he­ven Pamor). Zo heet de Pamor van Celebes "Pamor Bugis" (= Bugi­ne­se pamor) in tegen­stel­ling tot de andere ver­draaide namen. Vanaf het moment waarop men me­teorietstenen (z.a. de meteorietsteen der moslims, die aan de Ka'aba in Mekka vastzit) ging associ­ëren als een godde­lijke teken van zijn aanwezig­heid en men -ter handhaving van die gedach­ten­gang- dit ruimtegruis ging be­schouwen als een gave gods, werd deze eensklaps te kostbaar bevon­den om daarvan nog langer wa­pentuig te laten sme­den. Daarom werd vanafdien hier­voor de sub­sti­tuut "Pamor Nekel" gebruikt. Dit is geen mete­oor­ijzer maar ge­woon nik­kel.

 

HET WAYANG VERHAAL 

De WAYANG... Wayang poppen werden oorspronkelijk als propaganda figuren ingevoerd door Indiase Priesters van de Rajendra dynastie, die deze ge­bruikten bij de verbreiding van hun Hindu geloof. De inhoud van het vertoonde propa­ganda-verhaal varieert van oude heldendichten Ramayana en Mahabarata. Romantische verha­len z.a. Panji of Emir Hamzah, zijn oude sprookjes die met de Islam hun intrede deden (1440) op de Archipel. De dialogen tus­sen de Wajang poppen worden van oudsher in het 7de eeuws Javaans ge­spro­ken en de gezongen liederen in het Hindu-Javaans (voor­ouds Javaans) "Kawi" geheten. 

De benodigdheden voor een Wayang verhaal zijn 450 stuks pop­pen, een verse bananenstam om er de poppen in te prikken. De goede figuren staan rechts en de slechte links, opdat niemand zich kan vergissen in hun karak­ters, ver­der een wit katoenen scherm en een olielamp. De Wayang poppen stammen alle uit de 3de eeuw en zijn uit India afkom­stig.

 

De indeling van de Wajang (wayang) begrip­pen:-

Het woord WAYANG betekent: 1.Schaduw,­ 2.schaduwspel.

I.WAYANG KULIT = scha­duwspel gespeeld met platte leren poppen.

II.WAYANG GHOLEK = schaduwspel gespeeld met echte kleine pop­pen.

III.WAYANG WONG = schaduwspel ge­speeld door men­sen.

IV.WAYANG TOPENG = schaduwspel gespeeld met gemaskerde men­sen

V.WAYANG KETILIK= schaduwspel gespeeld met platte houten poppen (Oost Java).

VI.De poppen­speler zelf wordt DALANG ge­noemd.

 

Dat Wayangs tot thans in het huidige Indonesië een grote invloed heeft en van oudsher een voorname rol heeft gespeeld in het Hin­doeïsme, is nog te zien aan de tempel reliëfs op Bali en Java. Een van deze oude reliëfs bij Belahan is in de 10de eeuw bezet door de achter­kleinzoon van Bupatos Sinduk die een eeuw daar­voor leefde. De kop van dit reliëf stelt Garuda voor, het rij­dier van de hindu-god Vishnuh.

 


RASCISME DEED VERANDERINGEN ONTSTAAN, HELAAS TEN NADE­LE VAN HET ALGEMENE WELZIJN

 

Discrimi­natie is iets dat sedert het ontstaan van religie door bijbelge­noot­schappen is zelfbe­dacht en ingevoerd, hiervoor werd in eerste instantie in hun vroe­gere "bundel" en in hun evangelische verkondigingen de slechte mens "Zwart" afgebeeld en de goede mens was volgens hun "Blank". Zo­doen­de verhief de blanke mensheid zichzelf in een superieure positie ten op­zichte van hun minder blanke of niet-blanke medemensen, en zij geno­ten ook gretig van de ge­neugten ervan.

 

De zwarte mens (de neger) en andere volksrassen werden door de religieuze mensheid dwangma­tig weer­hou­den van zijn eigen cul­tuur, waarna deze vervol­gens werden verban­nen, misbruikt, gemin­acht en kregen ter eigen handhaving slechts min­derwaardige posi­ties in de samenle­ving toege­scho­ven. Boven­dien werden de onderworpen volkeren onder­he­vig ge­steld aan wille­keurige onder­druk­king en kastij­ding in naam van "God"... 

....Dus niet alleen de zwarte mens werd in die tijd door religieuzen op de korrel genomen, maar ook an­ders­den­kenden werden er het slachtof­fer van. Geleidelijk aan werden anders­ta­li­gen en mensen met een andere huids­kleur door de "uitverkorenen van "God" in de loop der tijd toege­voegd aan de serie reeds gedis­cri­mi­neerde en onderwor­pen rassen en volke­ren. Zo hebben een legio mensenrassen en volksgroepen hun ware identi­teit verloren en werden door religieuze machtsoverwicht op wrede wijze ge­dwon­gen op te gaan in de massa. Racisme is een kwaadaardige uitvinding van de kwaadaardige mens!.

 

De leer van "Vishnuh" zegt:

 

"Uit heb­zucht werden mens, dier, plant en ding op geweldda­dige wijze gedwon­gen om zich te veranderen. Wij (mens, dier, plant en ding) bezitten het Natuurlij­ke vermogen om te verande­ren en om naar gelang de diverse leefomstandigheden daarnaar te handelen en gedragen, maar zij die zich laten leiden door illusie zullen voorzeker spoedig vergaan. Verande­ren is vaak de enig­ste manier om in leven te blij­ven. En helaas hebben kwaad­aardige perso­nen door de geschiedenis heen telkens weer allerlei wreed­heden begaan jegens hun evenmensen; altijd ten eigen voorde­le gehandeld en hun medenaas­te steeds naar eigen goeddunken slecht behan­deld; dit heet "dwangmatig veranderen".

 

... Eeuwenlang werden de onder­worpen volkeren op allerlei ondenkbare manieren zwaar mishan­deld, diep verne­derd. Naar hartelust werd alles veranderd wat met deze mensen te maken had, evenals de historie van deze onder­wor­pen volke­ren werd volledig ontspoord of in veel voorkomende gevallen gewoonweg inge­lijfd. Voorts werd zoals normaliter alles gewij­zigd wat in de toe­komst aan deze onderdrukte volke­ren mogelijkerwijs zou kunnen herinne­ren. Ongeacht alles wat onder de invloeds­sfeer van kwaad­aardi­ge perso­nen terecht­kwam onderging noodgedwongen een mutatie naar eigen idee. Men deed dit wel­doordacht en met evenzoveel plezier zonder dat zij ooit enige blijk gaven van spijt noch gewe­tens­wroe­ging".

 

NAAMSVERANDERING

Een Indiaas voorbeeld van naamsverandering is het woord "hin­du"; het woord hindoe heeft weliswaar met India te maken, want de rivier die tegenwoordig de Indus wordt genoemd, heette vroeger Shindu (spr.uit Sjindoe). Volgens de kronieken van Vishnuh waren op een gege­ven moment de Perzen India binnengeval­len. Dezen konden de s- aan het begin van een woord moeilijk uit­spreken. Daarom noem­den zij de rivier "hindu".

 

Eeuwen later bedoelde men met hindoe niet alleen de rivier, maar ook het gehele land en het volk. Ten­slotte werd daarmee de verschei­denheid van godsdien­sten aange­geven die aldaar door de grote meerderheid van de Indiase bevolking werd beleden. En zo ontstond het Hindu­ïsme, toen­der­tijd had de Indiase bevol­king geen speciale naam voor hun religie. Sommige volkeren in India geloofden in rat­ten, andere weer in apen, anderen liepen naakt rond (= als hun godsbelijdenis) terwijl daar­bij kleine dier­tjes met een veger van de baan werden geveegd.

 

Al deze godsdiensten werden voorzien van eigen regels en wet­ten. Iedere volk of stam verzon maar wat zolang het maar analoog de per­soonlijke om­standighe­den goed bij hun levensbe­schouwing past­te. Het Vishnuh-Genoot­schap heeft de vroegere ont­sproten Indiaase ge­loofsrichtingen om­schreven als een samen­raapsel van aller­lei zaken ten behoeve voor het welzijn van de ei­gen stam. Zo had elke stam of bevol­kingsgroep hun eigen inter­pretaties over het geloof in hun God, goden en halfgoden.... 

...Een ander voor­beeld van eigenmachtige naamsverandering door vreemde kolonis­ten is Javad­vipa (Nieuw-Indi­a, latere Portu­gees-Indië, Brits-Indië, het Nederlands-Indië en tenslot­te het huidige Indonesië), een naam die 200 jaar na chris­tus door India­se immigranten is gegeven aan hun nieuwe grondgebied dat tegen­woordig Indone­sië heet. Hiermee werd aanvanke­lijk eerst de gehele archi­pel mee aangeduid, later werd een gedeel­te van de Westzijde van de Tropi­sche eilanden­groep mee be­doeld. Ten­slotte werd Javad­vipah afge­kort in Javadvi en werd hier het midden van de Archipel mee aangeduid.

 

... En met Javadvipa werd vanaf het jaar 711 het latere Borneo (tegenwoor­dig Kalimantan) mee aangeduidt, totdat in 1510 Portu­ge­zen en Spanjaarden via Javad­vipa voeren naar de Molukken en gaven de naam Borneo aan Javadvi­pa die zij af­leidden van Brunei die toentertijd aan het eiland Maleisië toebehoorde. Deze Portuge­zen en Spanjolen veroverden Malak­ka anno 1511 en daarmee hadden ze een goede en veilige han­delsweg over zee gewonnen.....

...De Portugezen en de Spanjaarden konden weliswaar het binnen­land niet binnendrin­gen vanwege de alert­heid van de Inlandse stam­men. Want het opvaren van de grote rivieren was in die tijd een hachelijke onderne­ming door de Dajaks, koppen­snel­lersstammen en kannibalen; die allen toen leefden met de stel­re­gel "eerst schieten en dan pas vragen stellen terwijl men werd geroos­terd.

 

... Deson­danks kregen de Spanjaar­den en de Portugezen bij diverse volkeren aan de kust vaste voet en gaven deze plaatsen langs de Noord­kust al gauw eigen namen. Vanafdien werden zo 90 procent van de oude oorspronke­lijke namen van de Indische eilandengroep weggevaagd en ver­vangen door een vreemde naam afkomstig van andere Euro­pese gelukzoe­kers.

 

Toen in anno 1595 de Portugezen en de Spanjaar­den ver­dwe­nen werd hun plaats onverwijld overge­no­men door de Hollan­ders en de Engelsen. Dezen slaagden erin op diverse plaatsen handelscon­tacten te leggen, maar veel succes hadden ze aanvan­kelijk hier­bij niet, want elk contact was maar van zeer korte duur. Doch deze Europese kolo­nisten hielden vol, en al spoedig vervingen zij in de loop van hun schrik­be­wind en religieuze overheersing op de Archipel de oor­spron­kelijke Indiase namen door vreemde (eigen) namen, vervol­gens werd de Archipel naar eigen idee geher­struc­tureerd en gevormd. Mede daar­door is de Indi­sche archi­pel tegenwoor­dig geworden zoals het nu is, het is veranderd/gevormd in een grote "Puin­hoop. 

Een ander voorbeeld van koloniaal geweld is de ge­schiedenis van Zuid-Africa, waarin de hollander Jan van Rie­beeck al drie eeuwen (sinds 1652) in afrikaanse geschiedenis boeken en andere wordt beschreven als de grond­legger van Zuid-Africa en de volksheld/pionier, die aldaar zogenaamd de westerse beschaving heeft gebracht, terwijl deze Europe­aan feitelijk ge­schied­verval­sing en mensenrechtenschendingen heeft ge­pleegd ten opzichte van Africa.

 


Daarover zegt de leer van "Vishnuh":

 

"De hollanders zoals Jan van Riebeeck, die in 1652 in Zuid-Afrika op Kaap de Goede Hoop een ver­versings­post heeft gesticht voor de VOC-sche­pen, waren grond­dieven, slavenhandelaren, veedieven en de onder­drukkers van de zwarte bevolking aldaar.

 

De Europeanen hebben evenals elders Zuid-Africa niet ontdekt, doch slechts ge­schiedvervalsing gepleegd. Africa (= het vroegere Mesopotamïe)was er allang, waarin reeds duizenden jaren geleden zwarte volksstam­men in harmonie en vrede met elkaar leefden, totdat hebberige blanken kwamen en hun vrede, rust, levensbeschou­wing, geschie­denis en bescha­ving wreedaar­dig kwamen verstoren..... 

....De geschiedenis van het zuide­lijkste puntje van Africa (= Zuid-Africa), begon 2000 jaar geleden toen afrikaanse stammen naar het zuiden trokken om er nieuwe weidegronden voor hun veestapel te vinden. Veel afri­kaanse stammen leidden in die tijd al een nomadisch bestaan, en zodoende ontstonden in geheel afrika nieuwe stammen, nieuwe gebruiken, nieuwe communicatie-middelen (z.a. taal en spraak), leef­wij­ze en een nieuwe bescha­ving.

 

Zo leefden deze stammen hon­derden jaren al in vrede met elkaar en hun omgeving, tot de hollan­ders kwamen, welke tevens de meest traumatische ervaring is geweest, die de zwarte inheemse volkeren ooit hebben meege­maakt..... 

.....De hollan­ders stalen het vee en andere eigendommen van de bosjes­mannen en hottentotten. Jan van Riebeeck was een ordinaire boef en een witteboorden-misda­diger namens de VOC en de toenmalige religieuze Hollandse regering.

 

Dus de bewering dat de Hol­landers in Africa de be­schaving hebben gebracht is een misdadig koloniaal verzinsel en walgelijk.

 

De Hollanders waren immers degenen die de manne­lijke slaven het huwe­lijk met vrouwelijke sla­ven verboden ten eigen voordele, want zij (= de vrouwelijke slaven) behoorden volgens hen alleen aan de blanke man toe. Zo werden de vrouwelijke slaven gedwon­gen om als bij­vrouw van de blanke man te dienen. Als gevolg daarvan ontstond uit deze vrouwelijke slaven een nieuw soort mensentype, die als uitschot werd behandeld door de blanke vaders en de rege­ring, en diezelfde onderdruk­kings­tak­tiek en kwaad­aardige werk­wijze hebben de Hollanders en andere Europeanen ook in elders toege­past en voortgezet (zie Batavia, Jakarta, Suriname, Antillen, Aruba, enz.)".

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Maar wie of wat zijn feitelijk Indonesiërs? ?

 

1870 - Agrarische Wet van Waal komt tot stand; bevat -- oplossing van het vraagstuk van de bodempolitiek, oplossen van het kernprobleem van de koloniale staatkunde en dit bete­kent vrije arbeid of cultuurstel­sel ten gunste van de arbeid. De vrije arbeid werd reeds tijdens het cultuurstelsel voorbe­reid en op zijn bruikbaar­heid getoetst door zogenaamde con­tractan­ten (= landhuur­ders), reeds in 1860 werd de slavernij in Neder­land afgeschaft, maar op Ned.-Indië ging de slavernij ge­woon door. De Hollanders zagen niets in om de slavernij op de Archipel af te schaffen, want dat was hun hele bron van inkom­sten die zij liever niet kwijt wilden. 

In de Indische Archipel werden in 1863 de eerste kredietbanken opgericht, waaronder de Interna­tionale en de Nederlandsch-Indische Handelsbank; ook de Engelse banken breiden hun werkterrein naar Indië uit. Particuliere industrie kon door genoemde wet woeste gronden in erfpacht huren waar­door het vrije kapitaal een grote kans kreeg, hierdoor stroo­mden duizenden Europeanen de Archipel op met in hun achter­hoofd maar een ding; geld, avontuur en overheersing van vreem­de volkeren.

 

Met de rijkdom steeg de macht, de eerzucht, en het eigenbelang; de in 1883 begonnen suikercrisis speelde een belangrijke rol in de ruzies om macht. Door opkomende in­dustrialisatie van Europa en Amerika breidde de particuliere industrie zich meer en meer uit; het Suezkanaal, snelle s­toomschepen, de spoorwegen, moderne wegenaanleg, telefoon, te­legraaf etc. zorgden voor meer vraag naar grondstoffen en goederen (consumptie en productie.)

Het Europees onderwijs werd verbeterd evenals de tropengenees­kunde, en hierdoor daalde het sterftecijfer van de Europeanen sterk; toen pas durfde men Europese vrouwen naar de Archipel te halen; was met hen via de handschoen getrouwd; of had hen als gouvernante aangesteld. Hierdoor ontstond er een stijgende import vanuit Europa van overkomen­de vrouwen, evenzo breidde het aantal huwelijken met Inlandse en Chinese vrouwen zich op­zienbarend uit; Natuurlijk had dit grote gevolgen, Batavia k­reeg o.a. dames­modewinkels, straatverlichting, de stoomtram (eerst de paar­de­tram).

Er was een groot mannenoverschot, de Indisch-Europe­se samen­le­ving was zeer sterk gemengd, onder de in Indië geboren Euro­pese vrouwen waren 13 tot 20% Chinees en of Indisch, door hun huwelijk met een Euro­peaan kregen ze de naam Europese te zijn. Doch hun Europese zijn beperkte zich uitsluitend tot de keukenvloer. Plusminus 1880 begonnen investeringen tegen te vallen, het aantal import Europeanen nam toe, en toen het dan einde­lijk wat beter leek te gaan, kwam in 1883 de sui­ker­crisis; er ontstond alom grote ontevre­denheid waar nie­t eerder een eind aan leek te komen dan omstreeks 1900....

.....De meeste Indonesische families zijn omstreeks 1900 ontstaan, voor het merendeel nakomelingen van mindere militai­ren, avonturiers, en slechts een klein deel was afkomstig van ambtenaren en of officieren. Ze werden gedoemd tot onder­geschiktheid. Vele Europeanen emigreerden naar ­voormalig Indië of op mili­tair bevel - of familie ­omstan­digheden -of eerher­stel of eenvoudig­weg met de ambitie om er even snel carrière te maken en om er de baas te spelen tegen de verdrukten; Toean zijn was destijds top.

...Deze eco­nomische ople­ving zorgde voor een geheel andere tijd, er verre­zen miljoe­nen uit de grond, maar er werden ook miljoe­nen verloren door het ontbre­ken van stabiliteit en integri­teit. De economie op Java en Madoera liep sterk achteruit, het verval was duidelijk waarneembaar, er kwam na 1901 weliswaar een klei­ne verbete­ring van Inlands onderwijs (gebaseerd op Europe­se maatstaven), de aanleg van irrigatie­werken, een grote toena­me van kleine industrialisatie en kunstnijver­heid, maar dit legde geen zoden aan de dijk; want de koloniale overweldi­gers hadden immers al de Indische rijkdommen naar hun eigen ­land ver­scheept en de Indische Archipel leegge­plunderd.

Zoals hiervoor vermeld was in deze Ned.-Indische samen­leving een groot mannen­over­schot ont­staan dat werd opge­lost door leven in concubinaat, vooral bij de lagere in rang militairen was vermenging met Chinese en of Indische vrouwen een gebeu­ren dat veelvul­dig voorkwam, deze concubine werd op Bali de Njai genoemd. Doch deze vrouwen werden door de uit Europa overkomende vrouwen met hun eigen clan, gemeden alsof ze uitschot waren; b.v. men moest haar (njai) blijven zien als de ondergeschikte die haar baas letterlijk in "alles" gewillig moest zijn en naar gelang hij wenste. Vervol­gens mocht zij nimmer op de voorgale­rij verschijnen; als er gasten waren moest zij geruis­loos ver­dwijnen naar één van de bijge­bouwen.... 

...Er waren wel enkele uitzonderingen maar dezen werden ernstig bekriti­seerd, vooral als zij na haar overlijden ge­plaatst werd op een Europese doods­baar, overdekt met het zwarte voor Euro­peanen bestemde doods­kleed. Deze als Njai aan­geduide vrouw was meestal van haar ouders of van haar man afge­kocht, zelfs in sommige geval­len gewoon afgestaan of ten geschen­ke gegeven. Bedenk vooral dat dit gebeurde in een tijd waarin de slavernij reeds was afgeschaft, maar in Ned.-Indië deed dit feit niet ter zake, bovendien meende men dat dit de enige methode was om voortdu­rend op de hoogte te blijven van de Indische omgeving, maar toch ook zo om weer niet al te ver­indi­schen...

.....Deze concu­bine was de moeder van de Indo-groep, haar kinderen werden (alleen bij het erkennen van de man; en of huwen met de moeder) Europe­aan. Bij niet erkenning door de vader verdwenen deze kinderen gewoon in de onderlaag van de Indische samenle­ving. Daarom was het niet verwon­der­lijk dat het overgrote deel der Indi­sche vrouwen er diverse kinderen hadden die elk de achter­naam droeg van hun vader mits deze ­door hem erkend zijn, en zij die niet door de vader erkent wa­ren droegen de achter­naam van de moeder. De erkende kinderen ­vorm­den tezamen met kinderen uit een gemengd huwelijk een groep neo Indo-Europeanen met soort­gelij­ke Euro­pese namen,­ slechts een klein deel ging over in de bovenlaag van de Euro­pese maatschappij, doch het grootste gedeelte kwam in de onder­laag terecht, en voegden zich door gebrek aan goed Euro­pees onderwijs bij de groep van Indo-paupers.... 

....Vaak werd in Nederlands-Indië de Indo-Europeaan overhaast door een in­vloed­rijk fa­mi­lie­lid in een baantje gedrukt, zijn naam als Europeaan zijn­de stelde niets voor, waardoor ze over gingen tot het ste­len, smokkelen van opium en of opzetten van speelhui­zen en het verkopen van vrouwen en meisjes aan Chine­zen voor prosti­tu­tie. De niet erken­de kinderen wilden, ondanks dat ze niet erkend waren door hun Europese Vader, toch een Europe­se achternaam voeren die toentertijd een waarborg was voor een goed be­staan in die koloniale samenle­ving......

M.A.W. "Indo-ne-­siërs" zijn ontstaan vanaf de 19de eeuw, als de afstammelingen van inheemse verraders, collaborateurs en van uit concubinaat ontsproten kinderen van Franse huurlingen, van Hollandse-, Portugese- en Engelse militairen van lagere rang en stand, en uit import-chinezen en proto-maleiers, die van de toenmalige koloniale overheden de op­dracht kregen op te gaan in "het volk" om zodoende "het inheemse volk" te veranderen.

 

... Onder deze toen uit concubinaat ontsproten kinderen ontstond in het midden van de 18de eeuw een identiteits­crisis, omdat een groot deel van hun verwekkers toendertijd uit minachting of anderszins hun eigen, bij inlandse vrouwen verwekte, kroosten niet als hun wettige kinderen wilden erkennen. Daarom gaven deze kinderen later zichzelf een gefingeerde of verdraaide achternaam van hun vermeende verwek­ker(s). In plaats van Simonis ontstond de "Thomis", "Rhemrev" in plaats van Vermehr (Vermeer), "Frederiks" in plaats van Veenstra, "Tonges" i.p.v. "Teunissen", "van Bakel" i.p.v. "van Brakel", "Rellum" i.p.v. "Muller", Redlum in plaats van Mulder etc. Deze groep was on­danks hun eigen krompraat en ko­kette manieren verba­zend met zichzelf ingeno­men, en het was ­niet verbazing­wekkend dat de (witte-boorden) crimina­liteit in deze groep enorm hoog was. 

Om­streeks 1880 leefde een groot deel van de Indo's verpau­perd in de kampong (ofschoon hij werd bezien als Europeaan); of aan de rand van de kam­pong; of in de toenma­li­ge specifieke Indo-buurten, waarin de huidige Indonesi­sche sportac­tiviteiten met name Persilat combat style hun ontstaan vonden, zoals de Kema­joran stijl (in Batavia) ; Kram­bangan (in Soerabaya) ; of Karangbi­dara (in Semarang), Buntet pesantren pinggir laut (in Bandung), en onder deze groe­pen tierde de misdaad welig. Hier­door ontstonden (dorps)bendes en splinter­groe­pen die via chanta­ge en geweld de gehele woonomge­ving terro­riseer­de. .Om zich van andere bendes te onder­schei­den gaven zij hun eigen kliek een naam.

 

Zo ontstonden de namen van de Indonesisch Maleisische- sportsys­te­men zoals Setia-Hati (Kemajo­ran), Cika­long, Cimande, Jago, Kalajeng­king Hitam, silit tuo enz. waarin zeer duide­lijk de Bersilat, Persilat of Mersilat alle één potnat zijn ontstaan uit een "samenraapsel van aller­lei neo-Indone­sische sporten o.a. afgekeken van de Chinese gevechtssporten "Pah-Kua" of "Chuan-Fa", Karate of zelfont­wikkelde systemen die meer verwant zijn aan Japanse sporten en qua opbouw en techniek voor het grootste deel hieruit bestaan, met als enige verschil een lage soepele houding. Duidelijk is dus, dat de Indo-nesische vechtsporten in-of rondom 1900 zijn ontstaan en behept met Maleisische invloeden welke in feite allemaal één en het zelfde zijn. 

PENCAK-SILAT is dus in werkelijkheid heel wat anders dan wat in Indonesië sinds de 19de eeuw word beoefend onder deze naam. *Denk liever niet meer terug aan de verpau­pering van weleer, in het bijzonder niet aan de Indo-buurten als Kemajo­ran en Krambangan en Karangbi­dara etc. daarbij verwij­zend naar de genoemde Indo-buurten als hun Leerschool en hun achtergrond.*


HET WANGEDRAG VAN INDISCHEN

In de kropak ewah-ewahan van IDA-BAGUS Kiyai (1785) kwam ik over het Indische wangedrag ten tijde van de kolonialisatie de volgende uitspraak tegen: "De aard van de Indische bevolking is laf en week geworden, hen ­toege­bracht door de koloniale overheersers die zij vanaf het begin zelf vol overtui­ging hadden gekozen. Vooral de mate van onderdanigheid die zij alom voor hen betracht­en kent zijn weerga niet. Men durft op eigen initia­tief geen openlijke confrontatie meer aan te gaan tegen het onrecht welke hen permanent door hun blanke overheer­ser ­werd aangedaan zodat een ieder of men het wilt of niet, hierdoor gedoemd was zijn eigen levensweg vrij te banen.....

.....En de soli­dari­teit die vroeger de onontbeer­lijke schakel was van on­der­linge broeder­schap als dorpseenheid de "gòtòng-ròyòng" (=onder­lin­ge samenwerking), is volkomen uiteengespat en heeft ruim ­baan gemaakt voor egoïsme. On­danks de trouw gezwo­ren belof­te ­aan elkaar, beze­geld met een ritueel gebruik door het slach­ten van een haan, elkander bij te staan, de conse­quenties samen on­der ogen te zien, altijd paraat te staan voor el­kaar, was er in deze groep altijd wel iemand die verraad pleeg­de tegen hun eigen stamleider, in de hoop in voorkomen­de gevallen te worden beloond met een voor­name aan­stelling als opzichter enz., en tuk op een koloni­ale vol­doe­ning zelfs gretig hun eigen soort verraad­de, en als het geluk met hem was wachtte hen een ambtelijke aanstelling, of men werd verheven tot (onder) koning van een dorp."

 


Zo zegt de leer van “Vishnuh”:

 

"Alle ko­nings­huizen die de naam RADEN, RATU, SUSUHUNAN of SULTAN dragen, zijn in die positie geplaatst door kolonialis­ten, nadat de belanghebbenden (de lokale colla­bo­rerende dorpshoofden) hun eigen koning of leider laaghar­tig hadden verraden en-of ver­dreven. In veel voorkomende ge­vallen werden hele konink­lij­ke nage­slachten lafhartig ver­moord (dus in de rug aangevallen) met behulp van deze inlandse belanghebbenden (dus die ratu's c.q. radens, sultans)...... 

.....Al het ver­raad zit gewoon in het bloed en gaat van de ene genera­tie op de an­dere over,­ tot op het moment waarop de volgende generatie het aange­dane ­verraad erkent en daadwerkelijk uit alle macht be­proefd om niet weer de­zelfde fouten als hun voorouders te maken en hoe moei­lijk het ook zijt, er alles eraan doen om diegenen die onder het massa­le volksverraad hebben geleden te rehabili­te­ren. Pas dan zal de cirkel van vervloeking worden verbroken. Zolang dit eerher­stel niet heeft plaatsgevonden zal de komende generatie Indonesiërs waarvan het leeuwendeel afstamt van vroegere inheemse verraders de vervloeking ­voort­durend blijven aanvoe­len. Maar indien zij de genoemde feiten niet onder ogen willen zien, zullen zij ook nooit de gees­telij­ke rust en vrede kennen. Hopelijk realiseren zij zich eens dat zij eerst een stapje opzij moeten zetten, ­voordat zij vergeving kunnen verkrijgen van de eigen­lijke voor­ouders."


Noot:

"Het gedenken van voorouders mondiaal gezien, is geen zinlo­ze taak, maar eerder zinvol. Want gedenken is een taak en opdracht die voor ons allemaal geldt. Het doen bloeien van vrijheid en het eerbiedigen van al wat is en was, het bevorde­ren van gerech­tigheid en veiligheid, loyaliteit, eensgezind­heid, vertrouwen hebben in de zin van het mens-zijn inclusief de daarvan ont­stane maatschappij, die allemaal eerst aan het gedenken vooraf horen te gaan".

 

HET ONDERDRUKKINGSTRAUMA VAN WELEER

De nageslachten en afstammelingen in rechte lijn die de over­blijfselen zijn van eertijds verban­nen Hindu-voorouders, hebben uit een diepgewor­telde wrok hun Indiase afkomst afge­zworen, maar door zulks handelwijze ver­breekt men geen bloed­lijn, want wat voor­ouders in vroegere tijden op de Indi­sche Archipel is aangedaan kan niet ongedaan gemaakt worden middels wraak­zuch­tige gedach­tengangen. B.v.: Door het afzweren van de bloedlijn verkrijgt men geen nieuw leven, geschiedenis en derge­lijke. 

Onder­druk­king heeft altijd al een grote rol gespeeld in zogeheten ­Indische milieus omdat ze voort­ko­men uit een koloni­ale samen­leving, waarin machtsrela­ties belangrijk zijn. Zo stelde het meren­deel van de geronsel­de officie­ren in hun eigen land niets voor, maar op de Indische Archipel speelden zij de grote Sultan alwaar zij hun frustra­ties op de inlandse burger bereidwillig botvier­den. ­

 

Vooral de inheemse vrouwen hadden het zwaar te ver­duren, want zij werden immers door de kolonialisten en diens inheemse helpers gebruikt als (seks)slavin­nen. Deze Javaanse-, Balinese en andere inlandse vrouwen hadden een geheel eigen manier om aan hun dage­lijkse beslommeringen, ellende en hun verne­deringen te ont­snappen. Dit deden zij door zich passief op te stellen of door zich te immuniseren zodat het lijfelijk- en geestelij­k geweld wat ze permanent door hun kwelgeesten werd aange­daan, in elk geval hun persoon­lijkheid niet aantast­te.

De meer­derheid van de Indonesiërs waren toen zelf op winstbejag uit, een voordeeltje deden deze maar al te graag mits zij ergens dik aan konden ver­dienen ongeacht of zij daardoor hun eigen landge­noten mee bedonde­rden of niet. Hun bereidwilligheid tot medewerking was meestal afhanke­lijk van wat er allemaal te halen was. Viel echter ergens weinig te pakken, dan ­hoefde men ook niet veel van hen te ver­wachten, maar was het de moeite waard dan werden kosten noch moeite bespaart om de buit binnen te halen onge­acht wat er aan de haak geslagen was.

Het was er vroeger op de Indische Archipel ook vet plunderen geblazen. Intri­ges, nijd, wedijver en verraad kwamen dan ook gauw om de hoek kijken, wat er overi­gens herhaal­de­lijk voorkwam en als gevolg van de urbani­satie in deze huidige tijd als vanouds nog voor­komt. De ego­ïstische instelling die het karak­ter van de Indo's kenmerkt hebben ze niet van een vreemde geërfd, zij zijn precies het evenbeeld gewor­den van hun vroegere onderdrukkers waardoor zij met het oog op hun doelstel­ling be­wust misbruik maken van hun Hol­lands-Indische afkomst en van de Europe­se onwe­tend­heid aan­gaande de werke­lijke achter­gronden van de Indonesische voorgeschiedenis. Voorts kennen driekwart van de Indonesiërs als gevolg van voorou­derlijke verbanningen en onderdrukkingen door vroege­re koloniale overheersers hun eigen cultuur niet eens meer en lijden feitelijk aan een koloniaal imperialistische drang naar meer, en maar vergaren en verzamelen volgens het N.I.K. (= Neo-Indonesisch Kolonialisme).

kortom!! : Over de toen begane wreed­heden zwijgt men het liefste als het graf. Daarbij verwondert het ons geenszins dat die Indo's tot thans het nog goed met de kolonialisten kunnen vinden. En van wie denkt u dat Indonesiërs lafhartigheid, landdiefstal, kwaadaardigheid, onderdrukking, discriminatie, laaghartigheid en het inpikken van andermans have en goed hebben geleerd ? Van de Kolonialisten natuurlijk en van niemand anders. Boeven helpen boeven en roddelen binnenshuis, dat doen ze maar al te graag. 

De naam en opkomst van het nieuw type volk dat ook vanaf het begin van het koloniaal imperialisme met name in de 18de eeuw in de Oost (Indonesië) is ontstaan luidt sinds 1945 officieel Indo-ne-siërs, dus de afstammelingen van de koloniale overheersing.

 

Duidelijk is dat de onder­drukten en de verschoppelin­gen van "toen" de onder­drukkers zijn van "Nu", want de ex-onderdrukker gaf de wacht over aan de neo-onderdrukker. En toen de Indonesische bevolking op de Indische Archipel eenmaal een feit werd deed zij enthousiast en vrolijk mee, al dan niet samen met hun overheersers, aan verandering, vernietiging en inlijving van de overgebleven gevestigde Indische Orde. Destijds had het Indonesische volk, gedreven door hebzucht, egoïsme en machtswaanzin, generlei begrip voor-, noch hechtte men waarde aan de Indische cultuur en achtergrond. Het was een tijd van "pakken en hebben". Het Indonesische volk deed daar massaal exact hetzelfde wat haar overheersers ook te dien tijde uitspookte namelijk; ...

-"pak maar van de inboorlingen wat je pakken kan"; 
-als je ons maar tribuut betaal.

-"schrijf maar wat je schrijven wilt"; 
- als je onze methode maar ontziet.

-"verander de geschiedenis en infrastructuur naar eigen goeddunken of naar Westers model"; - als je maar verre van ons blijf.

-"neem een voorbeeld aan de renaissance; 
- want het is Nu of Nooit meer"

*Het is zeker zeer fascinerend om te zien hoe Indonesiërs met hun kunstzinnigheid kunnen omgaan en hun mate van creativiteit is erg leuk; een lage soepele houding; sierlijke bewegingen die eigen zijn aan oosterlingen; Mooie capriooltjes; Fraaie out-fit; Oosters muziek; Oosters sfeertje; vaak komt daarbij een mystiek verhaaltje aan te pas, en meestal met een adellijk tintje; wat gerommel met de historie; een beetje gezwaai met antieke Indische wapens; Epauletten, Titels, Lintjes en Oorkondes in overvloed. Het zijn net papegaaien, want het is er ook allemaal prachtig en kleurig om te zien om der westerling te plukken, die in eigen land weinig gewend zijn.

 

... En sinds de bekendmaking dat een Gurubesar van het Vishnuh-Genootschap in 1980 in Europa is gearriveerd schoten in Indonesia vechtstijlen, perguruans, pukulan-organisaties en bonden als paddestoelen uit de grond en het regent er ook titels, pendekars en guru besars in de dorpen. Wilt u ook de titel guru besar voeren, ga dan naar Indonesië waar u gewoon deze titel kunt kopen met de mededeling dat u ermee in Nederland een sportschool kan beginnen.

Het voornoemd Indonesische tafereel doet ook sterk denken aan India waar men bijna achter elke boom een paar guru's in lotus houding aantreft en waar bijna vanuit iedere woning een Avatar op de loer staat, die bovendien ook allerlei kunstjes kan uithalen...



"PAKKEN IS PRETTIG, MAAR KRIJGEN IS DE KUNST

1. De Naam Pencak-Silat is anno 185 door het Vishnuh-Genootschap zelf bedacht.
2. De Pencak-Silat technieken zijn gedurende de 2e tot de 7e eeuw ontwikkeld en vervat in 10 stijlen door leden van het Vishnuh-Genootschap.

De benaming PENCAK-SILAT en de inhoud ervan is één der zelfontwikkelde en ongerepte pusaka's van het Vishnuh-Genootschap en is in de oorspronkelijke vorm bewaard gebleven.

 

"De "Pencak-Silat" is ons GROOT CULTUREEL ERFSTUK en mag nooit worden gebruikt voor eigen belang en voor iets waar het niet voor is bestemd, daarom denkt het Vishnuh-Genootschap er niet aan om de schending van haar voorouderlijke naam Pencak-Silat straffeloos te stellen. Derhalve is haar babhatan eervol en niet vergelijkbaar met wat in vroegere tijden zoal door toedoen- en in vereniging van inheemse verraders in de Indische Archipel geschiedde; waarin zij gebroederlijk s'nachts op uit gingen met de kolonialisten in de achterhoede om dorpen te overvallen, onschuldige mensen te folteren, ze vermoorden en te plunderen teneinde er zelf beter van te worden namens hun heilige geloofsleer?

Verandering van de naam voor de vechtsporten, die momenteel onder de naam Pencak-Silat worden beoefend, is echter geen schande. Maar een ieder die de naam Pencak-Silat blijft misbruiken voor zijn zelfbedachte vechtsport pleegt feitelijk heiligschennis en dat is pas schande.

 

Wie wel of niet verantwoordelijk is geweest voor het misbruik, misvatting en de lancering van de naam Pencak-Silat is niet meer relevant. Veel praten is overbodig, begin liever alvast een eigen naam voor uw vechtsport te verzinnen in de lijn van de Pukulan of Mersilat/Persilat en deze inkleden naar Indonesisch-, Westers- of volgens eigen model, dit is immers eervoller en acceptabeler in plaats van een eeuwen oude naam te gebruiken waarvan de archipileze geschiedenis leert dat aan de ontwikkeling van de authentieke "Pencak-Silat" ontiegelijk veel voorouderlijk lijden, verraad, bloed en tranen daaraan vooraf zijn gegaan.

 

... De naam Penca(k)-Silat is reeds in lang vervlogen tijden gereserveerd voor al de voorouders, die helaas wegens verraad door hun vroegere land- en soortgenoten hun eigen levensverhaal niet meer kunnen navertellen.

 

DEJAVU....

En wat het huidige volk aldaar betreft? Let op, het zijn nu niet de overzeese grootmachten die de Indische Archipel naar eigen idee beheersen, bestieren en te gronde richten, maar de destructie van Indonesië geschiedt thans geheel door Indonesiërs zelf.

 

... Afgezien van de arme achtergestelde Indische bevolking daarzo, die inmiddels hernieuwd monddood is gemaakt en aldus geen recht heeft van spreken, is alles daar op de Indische Archipel voor 90 % verscheurd, kapot gemaakt en verpest als gevolg van de hebberigheid van inheemse machtswellustelingen, en voor 10 % door het Euro- koloniaal imperialisme. Bijna niets is er meer Indisch... Aldus is het predikaat Indischen geenszins op Indonesiërs noch op Indo's van toepassing. Immers, hun voorouders hadden vroeger meegewerkt aan onderdrukking en vernietiging van de Indische orde van destijds en helaas hebben de nageslachten van deze zich in de voetsporen van hun hebzuchtige voorouders genesteld. De totale vernietiging van de Indische Archipel is daardoor reeds lang ingeluid.......Kuwalat! 

En wat de Surinaamse Javanen betreft inzake hun beleving van de Pencak-Silat en hun voorouderlijk cultuur, dat is bijkans allemaal van hetzelfde laken een pak. Gezien het nonchalant gedrag van de Javaanse immigranten in de beginperiode van hun vestiging in Suriname (08-08-1890) ten opzichte van hun eigen voorouderlijk geschiedenis en beschaving, was het doorgeven van de Pencak-Silat aan dit gemeenschap nooit een optie geweest van het Vishnuh-Genootschap. De vroegere ongeletterde Indonesische immigranten die hun geboorteland en dorp achter zich lieten voor een nieuw bestaan overzee, zagen door de moslimse tirannie in eigen land het verre Suriname als het ultieme alternatief om zich te vestigen en om zich een nieuw bestaan te verwerven.

 

... Helaas heeft deze groep hun bijgelovige idioterieën en de Islam geloofsleer meegenomen naar Suriname en deze helemaal aangepast en toegepast en hernieuwd ingekleed naar eigen idee. Dat wat de zich zo noemende Indonesische Surinamers heden ten dage als Pencak-Silat manifesteren in Suriname kan ongetwijfeld worden beschouwd als de na-aperij van een misvormd Indisch product door Indonesiërs. Vooral het feit dat discriminatie nog erg leeft in de Surinaams Javaanse gemeenschappen heeft het Vishnuh-Genootschap vanaf het begin doen besluiten om zich grotendeels te distantiëren van dit volk. En een éénwording bewerkstelligen met gelovigen (in dit geval Moslims) betekent verspilde tijd, permanente ellende en geestelijke armoede. 

De Pencak-Silat leent zich bovenal ook niet voor volken en lieden die mensonvriendelijke denkwijzen op na houden. Als treffend voorbeeld noem ik hier de Indonesische voorouders van de huidige generatie Surinamers met een Javaanse achtergrond, hun voorouders hadden niets geleerd van hun eigen verleden. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat zij in hun nieuwe vaderland (Suriname) in hun drang naar geld, macht en zelfverheerlijking jammergenoeg de gedrag- en leefregels van hun voormalige onderdrukkers in Suriname hebben voortgezet alwaar het in de loop der tijd zich heeft verspreidt als een vieze olievlek in hun eigen gelederen.

 

... Daarbij is de adorering van de vroegere gehate Moslimbezetters te beschouwen als het labiel gedrag van slijmballen. Het merendeel van deze Javaanse contractanten heeft immers op een gegeven moment uit ellende inderhaast de biezen gepakt en het aanbod van de Nederlandse kolonialisten indertijd gretig aangenomen om elders ter wereld hun geluk te gaan beproeven. Op "Allah" konden zij destijds niet bouwen, die gaf toch nooit thuis. 

Zich mooi en leuk voordoen voor buitenstaanders is een typisch religieuze eigenschap die door hun nakomelingen is overgeèrfd, en de verheerlijking van Indonesië door een deel van de Surinaamse Javanen die zich schijnbaar erg gekoppeld voelen aan Indonesië zouden er dan beter terug kunnen gaan zodat zij zich daar misschien beter thuis voelen.

 

... In grotendeels hun propaganda films wordt vaak verwezen naar Surinaamse Javanen uit Indonesia. Dit is zeer onwaarschijnlijk daar hun voorouders niet voor niets uit Indonesië zijn gevlucht en feitelijk daardoor geen Javanen meer zijn noch Indonesiërs, maar het zijn nu Surinamers met een summier Javaanse achtergrond. De huidige generatie gedraagt zich voor de buitenwereld als fanatieke Moslim terwijl ze daarnaast naar hartenlust allerlei onreinheden consumeren en betrachten, al dan niet stiekem, en waaien te pas en te onpas met alle winden mee. Dit zijn allemaal feitelijkheden in hun aangepaste Islam geloofsleer met hun lekkere saté babi die bovendien rijkelijk wordt overgoten met "sambal pitjel" (pittige pindasaus). Dit vindt "Gusti Allah" (hun God) vast niet leuk, hij zal zeker geen schijnheilige Koran aanbidders verwelkomen in het Walhallah die doordrenkt zijn met onrein bloed en onrein vlees. Maar waarom dan de terugkoppeling en verwijzing naar Indonesia? Dit is verklaarbaar als " het verradersbloed kruipt alleen daar waar het kruipen kan." Dit blijkt maar weer! Het addergebroed, verraderlijk gedrag en onstandvastige aard zit ze duidelijk in de genen, daarom is ook voor deze zogenaamde Javaanse moslimbroeders bij ons nimmer plaats.

Zij die kwaad waren van tong hebben de Gurubesar en het Vishnuh-Genootschap betitteld als "een overblijfsel uit de Rimboe, bosjavanen", dit omdat wij de adat van onze voorouders respecteren en de Pencak-Silatleer onder geen beding wensen uit te leveren voor wedstrijden in de zin van de sport. Het Vishnuh-Genootschap behoort dus niet tot de categorie stadsjavanen oftewel verraders die er niet voor schromen om hun eigen familie te verkopen wanneer het ze goed uitkomt, exact zoals hun voorouders op Indonesia in de koloniale tijd ten eigen voordele hebben gedaan!

 

... Wat deze Surinaamse stadsjavanen betreft; het verraad en hypocriete onderdanigheid zit ze gewoon in het bloed, te verklaren als de erfenis van hun hielenlikkende voorouders, bij ons bekend staande als rascisten van de 1ste klas en onbetrouwbaar op de eerste hand. Velen van hen gedragen zich tegenwoordig zogenaamd patriottisch en nationalistisch en sommigen stellen ten opzichte van hun medelanders zich quasi lieflijk en tolerant op. Maar schijn bedriegt, het overgrote deel is nog steeds alleen te vertrouwen zolang je ze ziet. Wij houden inderdaad van de Rimboe en dit is ons thuisland, maar laat alles aan het Vishnuh-Genootschap wat van het Vishnuh-Genootschap is. 

Wij Vishnuïsten (lees visnoewisten) zijn in veelvoud en staan overal klaar daar waar men ons niet verwacht....De tijd van vroeger is geweest zodat ook wij geen Javanen meer kunnen zijn, maar wij beschouwen onszelf als aardbewoners van Indiaase-, Javaanse-, Afrikaanse en Nederlandse komaf met nog in het bezit zijnde van onze poesaka's, te weten familiekronieken, lectuur en cultuur. Trots dat de huidige generatie van het Vishnuh-Genootschap door de eeuwen heen multi cultureel is geworden, zijn wij gevoelsmatig en geestelijk hecht aan elkaar verankerd. Huidskleur en ras zijn voor ons onbelangrijk, wij zijn één grote familie ook al variëren velen van ons van zeer donker getint naar blank.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

... Rassenonderscheid is bij het Vishnuh-Genootschap niet aan de orde. Het maakt de leden van het genootschap niets uit waar hun oorsprong ligt of waar zij vandaan komen, wij voelen ons allen Javaans. Het Javaanse volk met sluik haar met een licht getint donkere huid zoals vroeger op de Indische archipel is geweest bestaat heden ten dage niet meer. Of het zijn Indonesiërs-, Surinamers-, Antillianen-, Nederlanders- etc. met een summier Javaanse (=Indische) achtergrond. 

Maar "Wij" zijn aardbewoners en Vishnuïst, wij hangen gezamenlijk het Vishnuïsme aan volgens de empiristische leer van het Vishnuh-Genootschap zoals reeds eeuwen geleden door haar in een schriftuurlijke bepaling is vastgelegd. Wij zijn per slot van rekening allen aardbewoners en moeten het van elkander hebben, en voorts in voor- en tegenspoed elkaar ondersteunen met woord en daad.

 

Kortom:

"Het Vishnuh-Genootschap is vredelievend van aard." Weliswaar kwamen wij in het nabije verleden geregeld in contact met kwaadwillende groeperingen die met ons dachten te kunnen sollen. Maar op een goede dag hadden dezen, dankzij hun aardse nieuwsgierigheid en mede door hun "extra lange vingers", in hun laatste ademtocht gehoord het suizen van een klewang. Daarna hebben wij nooit meer last van ze gehad. De boodschap (=Vrede met alle mensen) van het Vishnuh-Genootschap is gelukkig goed begrepen en verder doorgedrongen in alle inlandse gelederen! 

Wij zijn allen vredelievend en vergevingsgezind in zoverre mogelijk..... Maar zodra de doodgraver het lijk van de vijand diep heeft begraven en de laatste zode er boven heeft aangestampt, pas dan zijn wij in staat tot totale vergeving van- en vrede met de tegenpartij doordat er vanuit die hoek geen enkel gevaar meer voor ons bestaat.

 

... Het Vishnuh-Genootschap benut alleen maar haar recht tot destructief verweer als een preventief middel, dit om de leefbaarheid voor haar leden tot ver in de toekomst te verzekeren. Wij behoren niet tot de categorie mensen die uit hoofde van hun geloofsleer aan een ieder die het maar horen wil "vergevingsgezindheid, respect en vrede" ophemelen, terwijl ze in het alledaagse leven tot de beesten toe zijn en zeer er op gebrand om een andermans leven erg zuur te maken als een door hun God opgelegde dagelijkse plichtsbetrachting. Deze vrome schavuiten roepen in volle overtuiging meestal heel driftig "Houdt den dief", maar op de één of andere manier dringt het niet tot ze door dat deze door hun overheid geijkte Yell betrekking heeft op hunzelf"!

 

Vrouwen en kinderen zitten vaak langs de kant van een doorstromend rivier bij ons dorp, bezig met hun dagelijkse beslommeringen o.a. de was doen, zich baden en afwassen. Tevens speuren zij tijdens hun alledaagse activiteiten beurtelings voortdurend de omgeving af naar onraad, en in veel voorkomende gevallen worden zij geregeld ingezet om te fungeren als verkenners of als uitkijk. Maar wanneer een confrontatie met inheemse rovers onvermijdelijk is zijn de vrouwen wreder dan de mannen.

 

... Dit is keer op keer gebleken in al die jaren toen het binnenland van Suriname onderhevig was aan privé oorlogen door allerlei bendes waarbij sommige geduchte tegenstanders te dicht bij ons gemeenschap hun ruzies kwamen beslechten. Onze veiligheid was in het geding en daarvoor kennen wij slechts één oplossing, dat is "Babhatan" waarin bijna iedereen (alle weerbare volwassenen en jongeren) ook alle weerbare meisjes en vrouwen aan deelnamen.

 

... Eendracht maakt macht. Leven en overleven doen we samen, zo heeft de empirie ons in de loop der tijd geleerd dat juist vrouwen in het algemeen grondiger zijn dan mannen, zij laten meestal geen spaan heel wanneer het er op aan komt. Bij vijandige confrontaties vloeit er bijna altijd bloed in onze kampen, zij het dan in gecontroleerde en beheerste mate. Dit heeft tot thans in bijna alle gevallen geresulteerd tot destructie van de agressor en voor wie er om heeft gevraagd.

 

Wie zoekt zal vinden. Echter, het Vishnuh gemeenschap ziet het niet zitten om slachtoffer te worden van overrompeling en molest door regeringscanaille of door ander ronddolend inheems- en uitheems gespuis.

 

Het genootschap weet dondersgoed dat haar overlevenden gedurende hun verdere leven dan zullen lopen rondjanken van verdriet, zoals de Moiwana nabestaanden die rond 29 november 1986 verrast werden door Satanische agressie van hun eigen soortgenoten; dorpelingen o.a. kinderen, vrouwen en mannen, door regeringstroepen in koelen bloede vermoord c.q. afgeslacht als beesten. Juist voor deze gestoorde vrome volksgroep die op gezag van de Surinaamse regering fungeren als eliminator moeten mens en dier oppassen en is men zijn leven op geen enkele manier meer zeker in handen van dit gevoelloze deel van de Surinaamse bevolking, ze ogen vaak lief, timide en aardig, maar ondertussen zijn ze erger dan wilde beesten.

 

En van wie hebben zij de meeste door hen reeds bedreven wreedaardigheden, op de Surinaamse burgerij, geleerd? Dit hebben ze geleerd van hun vroegere overheersers, de kolonialisten en van de slavendrijvers.
  

Op de regering met zijn Politieapparaat en Justitie kunnen wij echter nooit of te nimmer rekenen, niet dat we op hun assistentie zitten te wachten, maar bepaalde delen in het binnenland zijn zeer moeilijk begaanbaar, daar waar het gevaar overal op de loer ligt. Tegen de tijd dat er daadwerkelijk hulp van regeringszijde komt opdagen is deze onderweg gesneuveld of is de ijstijd ook alweer aangebroken. Daarnaast wenst de regering zich niet in te laten met binnenlandse geschillen en aangelegenheden waar zij toch geen vat op heeft.

 

... De centrale overheid voelt zich in zijn zelfzucht niet verantwoordelijk hoe zwaar bewapende inlandse millities door inheemse volken worden geweerd en berecht, het is een ver van hun bed show! Ook hier in het Surinaamse oerwoud en in het Amazone gebied telt alleen de Wet van de Jungle, het is "overleven of gedood worden", en in uitzonderlijke gevallen bij gebrek aan beter is het "consumeren of geconsumeerd worden".

 

In alle gevallen komen wij "uit het niets" en staan altijd paraat om ons volk te beschermen tegen kwaadaardige mensen teneinde annexatie en allerlei wreedheden op ons gemeenschap door indringers te voorkomen. Derhalve is het Vishnuh-Genootschap veiligheidshalve omringd door haar Krijgersgilde, dat te allen tijde strijdvaardig is en er op getraind om onschuldigen van schuldigen te kunnen onderscheiden. De daartoe hanteerbare stelling luidt, "Hard maar Rechtvaardig". 

Het Vishnuh-Genootschap heeft geen cellencomplex waarin gevangen genomen overweldigers opgesloten kunnen worden, daar opsluiting van levende wezens niet past binnen de ideologie en de levensfilosofie van het Vishnuh-Genootschap. Het Vishnuh- Genootschap is fel gekant tegen opsluiting van levende wezens in het algemeen ongeacht de ernst der begane misdaden.

 

... Ook wenst het Vishnuh-Genootschap zich niet in te laten met kolonialistenstreken o.a. mensenrechtenschendingen en slavernij noch zich verlagen tot mishandelingen, folteringen of iets dergelijks zoals gevangenen normaliter worden behandeld door een groot deel van de gelovige mensheid. Omdat fysieke vernedering voor het Vishnuh-Genootschap ongehoord is vind zij het ook zonde om de vijand, die naar het have en het leven van de ander aasde nog enigszins te voeden. Aangezien het vishnuh-Genootschap seizoengebonden tussen twee landen, Brazilië en Suriname, een nomadisch bestaan leidt, kan zij derhalve zich ook geen gesjouw met vreemde invallers permitteren, maar deze juist, indien schuldig, alleen menswaardig doen heengaan, want om het gevaar ten opzichte van onze gemeenschap te beperken verlaten onze aanvallers nooit levend ons grondgebied, daar wij geen risico nemen om later alsnog in de rug te worden aangevallen.

 

Kortom: "Het is dan zoals normaliter bij gebleken schuld "Kop er af en Klaar", en bij ons geen gesol met lijken, want levenloze lichamen worden goed besteed, deze laten we meestal liggen voor de dieren in het wild." 


 

 

Zo zegt de Leer van Vishnuh:

 

"Wie schuldig is zal heel gauw slechts één keer horen het suizen van een klewang, en daarna niets meer."


Vreemdelingen zullen snel genoeg achter komen waarom het Vishnuh-Genootschap buitenstaanders, die zich in Suriname en Brazilië toevallig in haar buurt ophouden, ten strengste verbiedt om haar leden te filmen of te fotograferen. Ieder volk heeft het recht van zelfbeschikking en het recht op privacy.

 

Voorts heeft iedere bevolkingsgroep recht van zelfverdediging- en bescherming van zijn cultuur. Ook wij hebben een beschaving en een levensvisie! Er zijn overal ter wereld nu eenmaal mensen die liever prevaleren om zichzelf te blijven in plaats van zich op te houden met het epigonisme van een op hypocrisie gebaseerde staatsfilosofie. Derhalve neemt het Vishnuh-Genootschap uit veiligheidsoverwegingen altijd de nodige voorzichtigheid in acht, want de mens is het gevaarlijkste roofdier dat op deze planeet rondloopt!

 

Verder is het Vishnuh-Genootschap zelfstandig en in staat tot een eerlijke beoordeling van wie wel en wie niet moedwillig bezig is geweest, en er wacht degenen die opzettelijk de fout hebben begaan, door ons grondgebied zonder fiat of ongevraagd te betreden, een zeer onaangename verrassing. Dit ter afschrikking van avonturiers en kwaadaardigen teneinde toekomstige herhalingen te voorkomen. "Wie niet horen wil moet voelen" is ook één van onze motto's! Het Vishnuh-Genootschap adviseert een ieder om zich met hun eigen zaken te bemoeien door hun eigen dingen te doen in plaats van hun neus in andermans besognes te steken.

 

... Daarentegen verwelkomen Vishnuïsten alleen rechtgeaarde aardbewoners, afkomstig van alle windstreken, die in het bezit zijn van een schriftelijke toestemming (inzake een notarieële akte) voorzien van een handtekening en een stempel van de familiezegel van de Gurubesar Lancar Ida-Bagus / R.R.Purperhart, aldus voldoen aan de diepste betekenis van het woord "Aardbewoner" zoals door het Vishnuh-Genootschap schriftuurlijk is vastgelegd. .....Maar alwie naar aapjes wil kijken moet toch naar een dierentuin! 


Wie zijn in feite aardbewoners?

Aardbewoners zijn mensen die; 

1. -een ander het licht in de ogen gunnen,
2. -eerlijk zijn tegen zichzelf en ook vooral tegen zijn medemensen,
3. -zich verre houden van religieus- als van kolonialistisch gedrag,
4. -zich verre houden van hoogmoedswaan, verwaandheid en discriminatie,
5. -zich verre houden van hebberigheid en egoïsme,
6. -verantwoordelijkheidsgevoel hebben voor zijn medemensen,
7. -respect hebben voor de Natuur en het Leven,
8. -loyaal, trouwhartig en standvastig zijn van geest,
9. -geen onderscheid kennen in ras, rang, stand, afkomst, religieuze(lees ook politieke) overtuiging.

De hiervoor opgesomde negen(9) eigenschappen zijn de kenmerken van rechtgeaarde Aardbewoners. En voor wie zich hieraan houdt is het Vishnuh-Genootschap hun beste kameraad en toeverlaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo zegt de leer van Vishnuh:

 

"Wie ons verhaal niet wil aanhoren moet gewoon zijn oren dichtknopen. En wie de waarheid niet wil weten moet onze verhandelingen en boeken dan ook niet lezen. En wie de schoen past trekke hem maar aan!"


Alhoewel het Vishnuh-Genootschap tegenwoordig de beschikking heeft over betere gebruiksgoederen alsook allerhande nuttige dingen bezit dan vroeger het geval was, staat zij ook open voor de modernste technologieën. Daarnaast bestudeert zij constant allerlei nuttige zaken waar haar leden baat bij hebben om zodoende de overlevingskansen van haar leden te vergroten en tegelijkertijd op de hoogte te blijven over van alles die de moderne tijd met zich meebrengt en wat de wereldeconomie biedt.

 

... Wij hanteren in onze technieken ongebruikelijk materiaal en onze theorieën zijn meestal afwijkend van de reguliere orde, maar bossjestechniek of niet, ons materieel functioneert zeker als de beste. Wat wij hebben bereikt is in de ogen van sommigen vaker bestempeld als oud bonkig roest. Doch daar storen wij ons niet aan, wij zijn in ieder geval gelukkig en tevreden met wat wij hebben klaargespeeld.

 

... Wij kunnen ermee verder, onze positie steeds versterken, een beter plaats geven in de grote mensenwereld en daarbij onze levenskansen / kennisoverdracht steeds stabiliseren. Wat zegt het Neerlands gezegde hier over ook alweer? "Wie het kleine niet eert is het grote niet weert." Zolang wij gelukkig en tevreden zijn met wat wij hebben en ermee kunnen overleven is het voor ons al ruim voldoende. 


Namens het Vishnuh-Genootschap

 


Let Wel: Het Vishnuh-Genootschap streeft er niet naar om de wereld te veranderen, maar wie lid wenst te worden zal onze procedure moeten volgen. Kritiek leveren op ons toelatingsbeleid/regels is zinloos. Anderszins zitten wij niet op avonturiers te wachten en ook niet op andere betweterige personen en dergelijke. Wij verwelkomen alleen aardbewoners, maar wie vrij is van angst en oprecht is van geest alsmede geen kwaad heeft in de zin en tot het Vishnuh-Genootschap wenst te worden toegelaten zal als een volwaardig lid ontvangen worden. Wie ècht de Pencak-Silat wil leren zal zich zonder meer onderwerpen aan de regels, normen en waarden en de adat van het Vishnuh-Genootschap. 
 

Wijzigingen Voorbehouden

 

 

 

 

 

 

gallery/vishnuh 0877
gallery/zandstorm
gallery/groep mensen
gallery/dorpje
gallery/eet smakelijk
gallery/huisje
gallery/grens
gallery/wassende water met stenen
gallery/stenen
gallery/dorpje_3