© Copyright : Vishnuh-Genootschap


Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of open­baar gemaakt mid­dels druk, fotocopy, micro­film, of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestem­ming van de rechthebbenden. De Nederlandse en Javaanse verta­ling van de lontarboeken van het Vishnuh-Genootschap zijn vastgelegd bij s'Rijkssuccessie te Leeuwarden in Nederland en gedeponeerd bij het Beneluxbureau voor de warenmerken onder nummer 507115, door de erfopvolger van het Vishnuh-Genootschap, Gurubesar R.R.Purperhart <> Lancar Ida-Bagus.

All rights reserved. No part of this publication may be repro­du­ced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form by means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the written permission of the publisher.

 

 

 

-Ter bescherming van de originele uitgave zijn alle op deze site geplaatste boeken van het Vishnuh-Genootschap gecodeerd weergegeven en ingekort (zie boek "Alleen de Natuur Leeft Eeuwig".)

 

 

aUtObioGrAfiE AuToBiOgRaFiE

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KROPAK-SURAT RONGATUS

 

 

KROPAK SURAT 200

 

 

 

Ter bescherming van de originele uitgave zijn alle op deze site geplaatste boeken van het Vishnuh-Genootschap gecodeerd weergegeven en ingekort

 


(Deel 1)

 

HET VERHAAL VAN EEN AARDBEWONER

 

Lontarcit. van het Vishnuh-Genootschap: "Weet en laat weten, Wijsheid komt niet uit het Oo­sten/Westen /Noorden of uit het Zuiden, maar "WIJSHEID" wordt slechts geboren in degene, die eerlijk is tegen zichzelf en vooral jegens zijn medemens.

Mijn rechtsnaam is Roberto Rudie Purperhart en mijn priesternaam is Lancar Ida-Bagus, geboren in Suriname. Mijn autobi­ogra­fie inzake de "Pencak-Silat" entameerde vanaf mijn 3de levens­jaar (1961) in het clustergenootschap Vishnu-(h) temidden van mijn Indische (Javaanse en Balinese) grootouders ­/ priesters, welke in het arrondissement Commewijne gelegen was*. Alhier begon m'n educa­tie en pedago­giek in de Leren van het Vishnuh-­Genootschap alwaar mijn groot­vader de Welzeergeleerde heer Bupathi "Ida-Bagus Siyang" de scepter zwaaide. Anno 1965 overleed deze overste waarna ik binnen een bepaalde tijd de "wasiyat" ontving van de plaatsvervangend abt van de gemeenschap, de eerwaarde heer P. Banjar-Pandé.

 


WAT IS EEN WASIYAT?


Een "wasiyat" is een testament bestaande uit lontargeschriften betreffende onderwijzing in de adat van voorouderlijke verboden en geboden. In mrt.1965 werd ik volgens de "Suwala­patra" (traditionele ritus van de Ida-Bagus dynastie) omgedoopt en luisterde vanaf dat moment naar mijn wasiyat-priesternaam "Ida-Bagus Lancar". Toen was het voor mij nog niet duidelijk wat dit allemaal voor mij te betekenen had in het voorland, want ik speelde nog en knikkerde..

De naam Ida-Bagus stamt af van de priestersdynastie, die sedert hun vestiging op de Indische Archipel (anno 145) alsook ver voordien als loyale volge­lin­gen de Leren van "Vishnuh" altijd dienstbaar waren en "Ida" was de naam van onze stammoeder (de eega van Vishnuh) en "Ba­gus betekent mooi, knap, helder, schoon." En mijn voornaam "Lan­car" staat voor "zuiveraar" in het Sanskriet, inzonder­heid van volksrela­zen en familiege­schiedschrijvingen van alrede lang vergane voormalige Archipeleze Hindu-buddhistische en Javaanse koninkrijken.

 

Mijn eerwaarde leermeesters (=mijn familie-clan) stammen allen af van de Ida-Bagus priesterdynastie en alszodanig de bewaarders van de Vishnuh-schrifturen. Deze 12de generatie van het Vishnuh-Genoot­schap houden er nog eertijds 7de/8ste eeuwse normen en prin­cipes op na, en accepteren aldus op generlei wijze andere vormen van rechts­staat. Deze concentreren zich derhalve uitsluitend ­op de leren van "Vishnuh" en de voorouderlijke leer­stellingen nog steeds bewaken op conser­va­tieve gron­den volgens het principe "behouden zo­als ze was".

 

... Deze conservatieve instelling is gebaseerd op de wetenschap over het lankmoedig verleden op de Indische archi­pel. Ter voorkoming van wederom misbruik van deze leren door der­den werd in de 14de eeuw door voorouderlijke voorgangers­ beslo­ten tot algemene geheimhouding, hetwelk tot na­volging re­sul­teerde in de priesterorde van het Vishnuh-Genootschap in het bijzonder door de Ida-Bagus dynastie.

Het behouden van de Pencak-Silat zoals ze was moest dus voorkomen dat de 195-voudige leersystemen van het "Vishnuh-Genootschap" nooit meer door incompeten­ten ­kunnen worden misbruikt, omdat de "Pencak-Silatleren in het Hindu-buddhistisch verle­den, even­eens ten tijde van de Portugese, Engelse en Nederlandse over­heer­sing onherstelbare schade hebben aangericht op de Indische eilandengroep (het hedendaagse Indonesië), doordat de genoemde leren van Vishnuh­­ ten on­rechte en onnodig werden aangewend en toegepast door aangemonsterden. Deze onder het volk door Vishnuh-priesters aangeworven manvolk werd opgeleid tot Pendekar (beschermheer, krij­ger) met het doel om fysieke bescherming te bieden aan de bevolking...

 

... Deze Pendekars waren volgens de fysieke beschouwing gerechtigd om op basis van het morele recht geweld te gebruiken. Zo leerden deze "vechters" ­alleen maar datgene wat in hun situatie en omge­ving nodig werd geacht. Voorts moesten zij hiervoor gestipu­leerde leefregels en ge­dragscodes volgen, die door het Vishnuh-Genootschap werden opgelegd­. Dus op grond van zelfverdediging werden vroeger ele­men­ten uit de tien dierenstijlen van de Pencak-Silat­leer van het Vishnuh-Genootschap door Vishnuh-priesters verspreid via Pendekars, voornamelijk bedoeld ten voordele van het algemene wel­zijn, echter zonder de wetenschappelijke achtergrond.

 

Dit Vishnuh-Genootschap is geheel aansprakelijk voor mijn scholing en opvoeding in de "Pencak-Silat" en de leren van Vishnuh en hecht alleen waarde aan feiten van dingen, dezelfden hetwelk zijzelf al van vader op zoon koes­teren en alsdien angstvallig bescher­men. Dus buiten­staanders krijgen niet zomaar toegang tot dit genootschap.



MIJN EUROPESE LEERMEESTER

 

In 1969 werd een Hollander unaniem in het Vishnuh-Genootschap opgenomen, de weledelzeergeleerde heer Gerrit M. van Praag (Neerlandi­cus), die mij op verzoek van mijn grootouders (Vishnuh-Genootschap) ­de Nederlandse taal, Europese geschiedenis en sociale wetenschappen doceerde. En deze man noemden wij "Gerard van Den Haag", dit omdat hij over de hiervoorgenoemde plaats veel verhaalde welke ook zijn geboorteplaats is.

 

Gerard van Den Haag werd als een onzer gerespec­teerd.  Hij gaf zijn vroegere manier van bestaan op voor een kluizenaars­leven in het Vishnuh-Genoot­schap en stelde vanaf toen zich ten dienste inzake Europese taalwetenschappen o.a. Nederlands, Latijn, Grieks en oud Romeins.

Van deze eer­waarde leermees­ter leerde ik ruim vol­doende van een samenleving overzee waarmee ik in de toekomst nooit zou worden geconfronteerd; "dacht ik".

 

Op een goede dag besprak de eerwaarde heer M.G.van Praag met de Vishnuh-aanhang de mogelijkheid over het vastleggen van de pusaka's van het Vishnuh-Ge­nootschap in Europa, om zo­doende de overgang naar de buitenwereld beheersbaar te houden alsook ter protec­tie in een rechtsstaat of rechts­vorm waar de betrouw­baarheid van deze slechts gegrondvest is op de mondiaal vastge­legde moderne recht- en wetstelsel, willen wij aanto­nen dat wij nog tenmin­ste be­staan.

 

... Dit plan kreeg vanwege de adat aanvankelijk geen voortgang, omdat de Adat ten behoeve en ter bescherming van de "Pencak-Silat" is bedoeld. Maar op deze manier bleven de voorouderlijke leren toch haar oorspronkelijke authenticiteit behouden en waren ontoegankelijk gebleven voor outsiders. De ondoordring­baarheid van de Vishnuh-leren welke het clustergenootschap Vishnuh kenmerkte, was de eed ten opzichte van het Vishnuh-Genootschap namelijk, "het behouden als ze was". 

...Immers de "Pencak-Silat" is geen gevechtssport waarmee wedstrijden kunnen worden gehouden, maar een gevechts­kunst en gevechtsleer, die slechts als een onderdeel verenigd is in de 195 boeken (leren) van het Vishnuh-Genootschap.

 

... Daarnaast is de Pencak-Silat uitgerust met een filosofische achtergrond, welke gericht is op het mensdom om ons heen en de mens leert om al het mentaal- als fysiek geweld te neutralise­ren en te kanaliseren. Daarbij dient ter zelfder tijd de plaats van de mens en al wat leeft onbetwist op de voorgrond te staan waarin men allerwegen moet leren leven in harmonie met iedereen, zodat zaken als stress en overspannenheid worden voorkomen evenals onzekerheid en angst.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het Vishnuh-Genootschap heeft nog nimmer met zich laten spotten, want ieder die opdringerig was en bovenal in de nabijheid van het Vishnuh-Genootschap niets te zoeken had liep het risico als vijand of indringer te worden beschouwd.

 

... Hij/zij die tot nog toe na een per­soonlijke aanmaning van een Prajurit (bewaker/ scherprechter) tot retiratie geen gehoor gaf moest het leven daarbij inboeten. Mede daar­door hebben ontelbare passanten hun nieuwsgierigheid met de dood moeten bekopen.

 

Desondanks ging het leven in het Vishnuh-Genootschap tot zover redelijk tot goed, totdat in 1975 in het gemeenschap het gerucht de ronde deed dat er in Neder­land en elders ter wereld "Pencak-Silat" wordt gegeven door mensen uit het huidige Indonesië.

 

... Maar volgens onze reis­verslagen inzake de trek­tocht van de Vishnuh-aanhang, eveneens overeenkom­stig de ge­schiedschrijvingen van het Vishnuh-Genootschap,­ die rechtstreeks in verband staan met de 14de, 15de, 16de, 17de en de 18de eeuwse volks­verhuizingen van Javanen, Balinezen, Sumatranen vanuit het eiland Bali, kan er geen sprake zijn van het feit dat Indone­siërs de dispo­natie hadden of kunnen hebben van de originele Pencak-Silat leren.

M­ijn voorouders, het Vishnuh-Genootschap en haar aanhangers trokken gezamenlijk weg van de Indische-Archipel onder auspiciën van de Ida-Katut Alit en de Ida-Bagus dynastie met medeneming van al haar Lontarwerken­. Zij volgden de evenaar en koersten via het continent Afrika naar Zuid-America (dit geschiedde in 1370 t/m 1813.) Daarenboven zijn de leren van "Vishnuh" sinds vanouds al opge­steld in de Lontartaal (zie lijst vastgelegde leren nr.16, 52 & nr.77) van het "Vishnuh-Genootschap". De door het Vishnuh-Genootschap gehanteerde taal-variant is afgeleid uit het Sanskerta (=Sanskriet) en als zodanig alleen in de eigen orde van hand tot hand is overgegaan. 

 Daar mijn leermeesters als de erfrechtelijke bewaarders van de "Pencak-Silatleren" volgens de adat van het genootschap nog 8ste eeuwse levensmaat­staven en verdedi­gingsprincipes hanteren, besloot de overste van het genoot­schap enkele bewaarders (Prajurits) van Vishnuh naar Nederland te sturen met als missie deze "heilig­schenners" (zo betitelde hij de zich zo noemende pencak-silat sportmeesters alhier te lande) te bestraffen, daar derden op generlei wijze het recht hebben een voorouderlijke naam te bezigen in casu bezoedelen.

 

Het Vishnuh-Genootschap redeneerde als volgt; "ten eerste wordt de naam "Pencak-Silat" door onbekenden oneigenlijk bevuild, en ten tweede kan de inhoud van de Indonesische gevechtssport Pukulan, Mersilat, Persilat of Bersilat, welke door Indonesiërs onterecht in de naam "Pen­cak-silat" is verenigd, uitsluitend oncon­form en tegen­strijdig zijn met de reële feiten van de authentieke "Pencak-Silatleren, en niet zoals door onze voorouders eeuwen geleden werden ontwikkeld en vastgelegd. En naar verluidt organiseren Indonesiërs en Europeanen onder deze naam wedstrij­den in de vorm van fysieke gevechten, alsof dit on­der­deel "Pencak-Silat" van de 195 leer­systemen van "Vishnuh" sedert oudsher­ een ­­gevechtssport was waarin men vroeger wedstrijden hield in de zin van de sport om bekers te winnen. Hierbij wordt het begrip "Pencak-Silat met "vechtssport" geasso­cieerd, aldus houdt dit een grove belediging in voor de Indische-voorouders van de Indische archipel en voor de Pencak-Silat gevechtsleer in zijn geheel."

 

... Zo stond het besluit van het Vishnuh-Genootschap vast om een aantal Prajurits naar Europa te sturen om de Indonesische heilig­schenners een lesje te leren". 

Doch de heer van Praag wist de leden van het Vishnuh-Genootschap ervan te overtuigen, dat een vredelievende strategie en omzichtige benadering veel beter en tactisch verantwoord was en wees mij aan als de vredesstichter, aangezien ik volgens hem het meest modern kan denken en een andere weg moest zien te vinden om de waarheid over de Pencak-Silat naar buiten te brengen en zo de naam in ere te herstellen. Als erfgenaam, kleinzoon, volgeling en afstammeling van de priesterge­neratie Ida-Bagus werd het mij duidelijk dat het mijn taak en opdracht is om de vredelievende missie in kwestie, aangaande het openbaren van de leren van "Vishnuh", hier te lande volledig te realiseren.

 

.. Ik heb een bikkelharde opleiding gehad, wat inhoud dat het enigste waar ik bevreesd voor ben is; "als het uitspansel op mijn hoofd valt". Nadat in het Vishnuh-Genootschap bekend werd gemaakt, dat de strategie van M. G.van Praag is aangenomen redeneerde de Vishnuh-aanhang als volgt : 

 

"Omdat de Indische archipel sedert 1945 c.q. 1947 niet meer naar de naam Indië luistert doch hedendaags als Indonesië wordt gebezigd, is in punctuele onderlinge overleg door het Vishnuh-Genootschap eenstemmig besloten om de Indische gevechts­kunst voorlopig voor de duur van 5 jaar Indonesische vecht­kunst te noemen, zodoende zal men inzien, dat wij vredelievend zijn van aard. In de tussentijd zal Gurubesar Lancar Ida-Bagus uitvinden of deze benaming (Indonesische vechtkunst) na verloop van 5-jaar voor de toekomst gehandhaafd kan blijven. De Gurubesar Lancar Ida-Bagus is de erfgerechtigde en onze toekomstige Overste die het laatste woord heeft in deze. Indien hij termen aanwezig acht, dat de naam "Indonesische vechtkunst" in deze tijd niet mag blijven gelden voor dit onderdeel van de leren van Vishnuh, maar dat de authentieke benaming "Indische Vechtkunst" gehandhaafd moet blijven, zullen wij ons onvoorwaardelijk bij zijn beslissing neerleggen. De leren van "Vishnuh" gaan weliswaar alle bevol­kingsgroepen min of meer aan, die momenteel op de eilan­dengroep woonachtig zijn, maar het ligt aan het gedrag van de huidige Archipeleze bewoners zelf of zij eerherstel verkrijgen en-of verlost worden van hun geloof en onderdrukkingstrauma, dat zij in al die eeuwen hebben opgelopen door landverraders en collaborateurs uit hun eigen gelederen." 

 

Na een zware studie promoveerde ik in de nacht van 14 april 1979 tot Gurubesar van het Vishnuh-Genootschap en Gurubesar "Pencak-Silat" in de hoogste graad de "Secaar Sonten" (=honderd bloemen), oftewel de 10de Dan (=sanskriet voor hoogte, geestelijke peil.) Daarvoor kreeg ik de traditionele toekenning van het Vishnuh-Genootschap.

 

Daags voor mijn vertrek naar Holland pleitte de eer­waarde heer M.G. van Praag, of ik als opperverte­genwoordiger en toekomstig abt van het Vishnuh-Genootschap zijn landgenoten tenminste wil vertel­len wat de inhoud van de "Pencak-Silat" werkelijk is en of ik voor mijn wederkomst in het genootschap een volledige stijl aan het Hollandse volk wil overdragen.


Zo zei de heer G. van Praag: "Onwetendheid is in het Westen des duivels oorkussen."

Het openbaren van de Leren van Vishnuh is mijn missie en op mijn schouders rust de aansprakelijk­heid en opdracht om het nieuwe tijdperk van Vishnuh en de "Pencak-Silat" leren in te luiden, alsmede de voorouderlijke namen van de Indische archipel op vredelievende manier in ere te herstellen, om de leren van Vishnuh volgens de Westerse rechtmatige wijze te deponeren en vast te leggen.



 IN EUROPA (NEDERLAND)
 

Bij mijn aankomst in Nederland in december 1979, begaf ik mij naar het Indonesische Consulaat aan de Tobias Asserlaan in Den Haag, alwaar ondergetekende zijn hoe­da­nigheid kenbaar maakte en vervolgens alszodanig een ver­zoek deed om medewerking ten voordele van de "Pencak-Silat" in het algemeen.

 

... Ik sprak een zekere heer Abbas Basri, die zich aan mij voorstelde als een medewerker van de Indonesische afdeling "cultuur en ontwikkelingssamenwerking en persoonlijke adviseur van de Ambassadeur Amat Kosashi. Deze heer werd bijgestaan door de heer Cucu Samsoedien. Deze beide heren zegden mij namens hun werkgever (de Indonesische ambassade) alle hulp toe, die nodig zijn ter realisatie van mijn missie. Kort na ons eerste gesprek richten zij de Vereniging "Garuda" op.


... Ook hadden de hiervoorgenoemde heren een groep Indonesiërs klaar staan, die opgeleid wilde worden voor de Pencak-Silat stijl Garuda (Adelaar) met de bedoeling om later zelfstandig te kunnen opereren in vereniging of in groepsverband.

 

De heer Cucu Samsoedien deelde mij vervolgens mede, dat de authentieke Pencak-Silat voor Nederlandse begrippen "waardeloos is" en volgens hem hecht de Nederlandse rechtsstaat geen waarde aan traditionele toekenningen zoals ik die heb meegekregen van het Vishnuh-Genootschap.

 

... Verder mocht  ik buiten hem om niemand anders tekst en uitleg geven omtrent mijn afkomst en de achtergrond van het Vishnuh-Genootschap moest ik geheim houden. Naar aanleiding van de Surinaamse coup die op 25 februari 1980 plaatsvond, werd mij in Juni van dat jaar door de heer Abbas Basri nogmaals uitdrukkelijk verzocht, dat niemand te weten mocht komen, dat ik een geboren Surinamer ben, eveneens mocht ik geen sociaal gesprek voeren met de door hun aangeleverde leden. En de traditionele tekens op mijn lichaam mocht ik ook nimmer aan iemand laten zien.

 

...Ook stelde de heer Abbas Basri aan mij voor, nadat hij de lontarboeken had gezien, die ik destijds nog in bezit had, om de genootschappelijke boeken onder zijn beheer te bewaren in de kluis van de ambassade. Dit weigerde ik pertinent, "ik antwoordde hem", dat ik de enige verantwoordelijke ben voor de voorouder­lijke boeken en niemand anders mocht zich dit aanmeten. Zichtbaar berustte hij zich hierin, want sindsdien vroeg hij niets meer.

 

... Mijn grootste zorg is altijd de boeken geweest van mijn grootouders, die nooit en te nimmer in vreemde handen terecht mogen komen.

 

Ondanks herhaaldelijke verzoeken van Cucu S. en zijn kliek om de Lontar boeken in de kluis van de Indonesische Ambassade toe te vertrouwen weigerde ik dit destijds ten stelligste, want zoveel vertrouwen in hun bescherming had ik echter vanaf het begin niet. Doch langzamerhand ging ik voor de goede orde over met het vertalen van enkele stukken ten behoeve van de Pencak-Silat trainingen die ik indertijd aan hen doceerde.

... Volgens de heer Abbas B. en Cucu S. was het verstandig om hun altijd het woord te laten voeren, aangezien Europeanen heel anders denken over bepaalde tekens, maar vooral over het Vishnuh-Ge­nootschap mocht ik geen enkel woord reppen, anders zouden Europeanen het Vishnuh-Genootschap kunnen gaan zien als een ge­vaarlijke sekte, "ook al zijn jullie dat niet"; merkten de heren op. Bovendien is elke Surinaamse burger verdacht, gelet op wat er in Suriname gaande is"; eindigde hij zijn betoog.


Ik kwam op mijn 21ste levensjaar naar Nederland, ik was puur en had nog volop vertrouwen in mijn medemensen. Ik wist van toeten noch blazen en heb me door mijn onwetendheid van alles laten wijsmaken door derden waardoor ik aanvankelijk door velen ben belazerd.

 

Zo accepteerde ik het werkaanbod van de onderhavige Indonesiërs en verkeerde in de veronderstelling, dat zij het goed met mij meenden en daarnaast vertrouwd waren met het reilen en zeilen in de Nederlandse rechtsstaat. Zij waren in de meerderheid en hadden allerlei voorkennis van deze overheid die mij later goed van pas kon komen bij de vastlegging van de stukken en leerboeken van het Vishnuh-Genootschap; zo redeneerde ik. Beide heren in kwestie stelden mij telkens gerust door te zeggen, dat ze het goed met mij voor hadden en dat alles wel op zijn plaats zou komen.

 

... Verder zou  ik o.a. een gebouw van ze krijgen waarin de leren van het Vishnuh-Genootschap kunnen worden ondergebracht en gecentraliseerd in een vaste stek, zoals ik destijds dringend had verzocht.

...Ik was niet naiëf, maar aanvankelijk nam ik dat allemaal aan. Ik was een groentje die hulp zocht om mijn missie goed voorbereid te beginnen en mijn voorouderlijke boeken vast te leggen zodat ik mijn boodschap aan de mensheid kan verduidelijken. Ik moest ten eerste ervoor zorgen dat ik een verblijfsvergunning kreeg en daarom besloot ik mij te schikken naar de adviezen van mijn "weldoeners" (dat dacht ik althans).

 

Ik stond toendertijd alleen en kende niemand anders. Ik had dus geen andere keus dan alvast te beginnen met les geven aan Cucu S. en zijn Indonesische groep met de voornemens om later, nadat ik mij goed georiënteerd had in deze maatschappij, op eigen kracht mijn weegs te gaan. Een ander soort werk kon ik echter niet doen en ben met mijn eigen baan gekomen in Nederland, als Gurubesar van het Vishnuh-Genootschap, met mijn voorouderlijk traditionele familieplicht van erfopvolging. Een Europese diploma's had ik niet, omdat de leer van het Vishnuh-Genootschap een Vishnuh-aangelegenheid is. Ik had alleen gerichte adviezen en geldelijke hulp nodig om respectievelijk  mijn voorouderlijke stukken en bescheiden te kunnen professionaliseren en om een gebouw te kopen waarin ik rustig kan werken.

... Voor de eerste keer in Nederland gaf ik les in een gymzaal aan de Ferdinandbolstraat te Den Haag aan een groep Indonesische mensen in leeftijd variërend van 25 tot 54 jaar. De lessen waren in groepjes van 15 onderverdeeld. Ik was in parttime-dienst van de vereniging Garuda van de Indonesische Ambassade met als contactpersonen Cucu Samsoedien en Abas Basri.

 

In één der gesprekken met de heren Abas en Cucu heb ik begrepen, dat een gedeelte van de door hun aangeleverde groep Indonesiërs al geruime tijd in Nederland woonachtig is en de rest nog in Indonesia, die er ook privé-les geven in hun dorpsgemeenschap. Deze laatste is speciaal naar nederland over gekomen om mijn lessen bij te kunnen wonen, omdat mijn lessen voor Indonesiërs een doorbraak zijn in de verspreiding van de Pencak-Silat in het algemeen.

Tijdens de eerste gesprekken, onderhandelingen en trainingen met de hiervoorgenoemde culture­le attachés liet ik duidelijk doorschemeren dat het derhalve zeer raadzaam is om de Pencak-Silat zoals zij van mij leren evenals de aange­leerde gevechtssyste­men in haar oorspronkelijke staat moet worden behou­den met inachtneming van de volgende bedingen;

1) - Er mogen daarin geen wedstrijden worden gehouden, want men mag elkaar niet slaan, omdat dit een teken is van minachting voor elkaar als mens;

2) - De Pencak-Silat leren moeten voor een iegelijk toegankelijk zijn zonder aanziens der persoon en zonder daarbij te letten op ras, rang, stand, afkomst, politieke of religieuze overtuiging,

3) - Complete overdracht van een stijl aan de ­Hollandse maatschappij, aan rechtgeaarde Nederlanders, dit als teken van eerbied en eerbetoon jegens mijn eer­waarde Hollandse leermeester Gerrit van Praag, omreden deze er­voor heeft zorggedragen dat het zuiveren van een voor­ouder­lijke leer evenals het rehabi­literen van een voor­vader­lijke be­na­ming, geen massa­slach­ting hoefde plaats te vinden.

De Indonesische culturele attachés hoorden mij aandachtig aan en beloofden mij ­onomwonden koeien met gouden horens. Voorts verzekerde zij mij hun volle medewerking te zullen verlenen bij het realiseren van de wensen van het Vishnuh-Genootschap in Europa en ver daarbuiten. Doch helaas lieten de genoemde heren na geruime tijd van gedach­tewisseling daarover niets meer van zich horen, het kwam allemaal wel goed werd mij verzekerd. Het ontging mij daarbij echter niet dat zij meer met zichzelf bezig waren dan met de Pencak-Silatleer. En bij hoog bezoek, inzake hun overgevlogen Indonesische vrienden en kennissen, werd ik bijna altijd ontboden en te "kijk" gezet.



EEN AANSLAG IN DEN HAAG

 

De Pencak-Silat trainingen in de gymzaal verliepen goed en voor de fanatiekelingen onder de groep Indonesiërs werden af en toe door de heer Cucu buitentrainingen georganiseerd in het Haagse bosgebied achter de Houtrusthallen. Zo ook op de eerste zondag van November 1980 was een buitentraining gepland, maar die keer dan alleen met de heren Cucu S. en Abbas A. Basri werd er gezegd, in plaats van zoals gebruikelijk met de hele Pencak groep aan wie ik les gaf....


.. Wij spraken af om gezamenlijk om 9-uur  des morgen te gaan trainen op de parkeerplaats naast de Houtrusthallen waarna een bostraining zou volgen. Toen ik op de afgesproken plaats arriveerde ontdekte ik nergens de heren Cucu S. en Abbas Basri, maar ik trof drie vreemde Indonesische typen aan die hun opwachting deden en mij vriendelijk begroeten. Ze kwamen op mij af en stelden zich voor als trainers van Tapac Sutji en deelden mij mede, dat de heren Cucu en Abbas B. verhinderd waren, maar dat ze de dag ervoor al fiat van genoemde mannen hadden gekregen om in hun plaats te mogen trainen. Een van de drie Indo's liep terug naar een blauwzwarte Mercedes en ging in de auto naar ons zitten kijken.

 

... Hiervan was ik niet op de hoogte omdat aan mij niets werd verteld over een op handen zijnde privétraining met onbekende meesters. Ik had geen bezwaar tegen om vreemden les te geven, alhoewel ik het verdacht vond. Ik had zo mijn bedenkingen, maar ach ja, ik had geen zin in discussies. Ik heb voor hetere vuren gestaan en dit kan er nog bij. Toen wij ons opstelden om de Pencak-Silat training te beginnen en ik de groet van de Adelaarstijl wilde afnemen merkte een van hen op dat zij de stijl van Tapac-Sutjie deden. Ik antwoordde daarop dat ik de Pencak-Silatleer van Vishnuh gaf en dat ook hij zich daaraan diende te houden als hij onder mijn hoede traint. Ik ken Tapac-Sutjie niet, maar wel de Pencak-Silatleren van het Vishnuh-Genootschap waaraan zij zich zullen moeten onderwerpen anders heeft trainen met mij geen enkele zin, "zei ik.

Nadat ik uitleg had gegeven over de uitvoerbaarheid van de Adelaarsgroet en deze had afgenomen maakte één van de heren tijdens de training de opmerking, dat zij gewend waren om wijdbeens te staan tegenover een tegenstander en niet zijwaarts, zoals ik ze adviseerde. Ik antwoordde daarop, dat de Pencak-Silat op basis van veiligheid gericht is om tijdens een gevecht altijd zijwaarts naar de tegenstander te staan en het is standaard dat de beoefenaar na elke vechthandeling zijwaarts neerkomt. In een serieus gevecht mag men vooral nimmer wijdbeens tegenover een vijand staan noch neerkomen, maar altijd zijwaarts, zodat de beoefenaar verzekerd is van zijn eigen veiligheid in een reëel gevecht...

 

... Ik moest deze twee onbekende meesters hier telkens op wijzen daar ze steeds in herhaling vielen. Op een gegeven moment vroegen ze geïrriteerd of ik de door mij vermeende veiligheid wilde bewijzen waarna één van hen, zonder enige waarschuwing vooraf, mij meteen agressief aanviel. Wat hierna volgde is onbeschrijflijk, het ging allemaal als in een film. Ik zag in een flits het gevaar en raakte direct in een trance met de focus op overleven...

 

... En wat in het heetst van het betreffende gevecht zich precies heeft afgespeeld kan ik mij tot op heden niet herinneren, het gebeurde gewoon in een fractie van seconden. Ik had toentertijd wel het gevoel, dat de eerste aanvaller na ettelijke seconden op de grond lag, gelijk daarop viel zijn vriend mij aan, die eveneens na ettelijke seconde op de grond lag en evenals zijn compagnon ook kermend van de pijn bleef liggen. Daarop hield ik rekening met een gevechtstruc, want je weet het maar nooit. Daarom ik riep vanaf waar ik stond of alles goed met ze was en wat hun vijandigheid jegens mij te betekenen had. Ik had ze immers nog nooit iets misdaan noch eerder gezien, en tenslotte ken ik ze nauwelijks een uur.


... Ondertussen kwam de derde Indonesiër, die vanaf het begin zich afzijdig hield en achter het stuur van zijn auto bleef zitten, gehaast rijdend in de Mercedes aan en stopte dichtbij zijn kornuiten. De chauffeur stapte uit de auto en liep vlug naar zijn schreeu­wende vrienden toe. Terwijl hij met ze sprak hield hij mij in de gaten en zei niets. Daarop hees hij de twee Indo's die zichtbaar gewond waren in het voertuig en reed daarna snel weg zonder verder acht op mij te slaan. Ik hoorde nog één van hen jammerend roepen tegen de andere: "het is jouw schuld, waarom heb je niet geschoten!­"

 

Terwijl ik even later naar de tramhalte toeliep om de tram naar huis te pakken, besefte ik dat ik een aanslag had overleefd van een kwaadwillende Indogroepering. Ik was in shock, en de volgende ochtend toen ik wakker werd leek het net alsof het voorval bij de Houtrusthallen onwerkelijk was. Op de daarop volgende trainingsdag in de Ferdinandbolstraat was de Indogroep tijdens de training aanmerkelijk stil.

 

Na afloop van de les vroeg ik aan de heer Cucu Samsoedien om enige uitleg inzake de reden van zijn afwezigheid bij de Houtrusthallen, en ik verlangde om nadere uitleg omtrent de twee heren die hun plaats mochten innemen. Ik vroeg aan de heer Cucu wat hun fysieke aanval op mijn persoon moest betekenen en waarom hij zonder mijn medeweten vreemden heeft betrokken bij de privé-les in de buitenlucht, die alleen voor insiders was bedoeld. De heer Cucu S. keek mij heel angstig en ontkennend aan, hij vroeg mij om vergiffe­nis met de woorden "het spijt me Mass, het spijt me".

 

Daarop vroeg ik de heer Cucu nogmaals wat zijn aandeel was in deze hele affaire. In plaats van gericht antwoord te geven op mijn vraag maakte hij zich druk om het welzijn van mijn aanvallers. Hij antwoordde: "de twee Indonesiërs hebben beweerd dat zij u meerdere malen met een mes hebben gestoken maar dat het volgens hen net leek alsof de messen u niet deerden. Zij zagen ook hoe ze door krissen, die uit het niets opdoemden, hun in de nierstreek doorstaken, maar van buitenaf geen bloedsporen konden ontdekken.

 

De heer Cucu gaf toe, dat een arts (dhr. Tan) van de Ambassade wel heeft geconstateerd, dat de twee onderhavige Indonesiërs een gescheurde nier hebben opgelopen, mogelijk door een harde slag tijdens de schermutseling. Trots deze verklaring hield de heer Samsoedien toch vol aan de beweringen van mijn Indonesische aanvallers. Volgens hen werd ik op die bewuste dag omringd door ongekende krachten. De heer Samsoedien vervolgde, "de meerderheid van de cursisten zijn nu doodsbang voor u geworden en daarom beschouwen wij u vanaf heden als de ontastbare en de wraak van onze voorouders."

 

Voorts repte hij met geen woord over zijn bezorgdheid voor mij, noch over de eerdere driftige aanval van de Indo's in kwestie, noch over hun vijandigheid jegens mij, wat voor mij gewoon betekende dat hij veel te verbergen had en met dat gajes onder een hoedje speelde.

Ik verzekerde Cucu Samsoedien ervan dat er heus geen sprake was van messen noch van steekpartijen en van tovenarij evenmin, maar dat die twee Indonesisch uitziende aanvallers constant elke beweging te baat namen om de les te onderbreken, en wel tot storens toe. Na mijn vermaning en uitleg omtrent een veiligheidskwestie raakten zij op een gegeven moment duidelijk verhit en gingen zonder enige waarschuwing vooraf één voor één tot de aanval over. Ze gedroegen al voor de aanvang van de training zich eigenaardig en de wijze waarop ze vragen stelden kwam spottend uit hun mond. 

 

Ik heb bij deze laffe aanval door die kwaadwillende Tapac Sutjie Indo's mij slechts verdedigd in een fractie van seconden, anders was ik misschien gewond geraakt en wie weet misschien nog veel erger gezien de agressieve wijze waarop de aanvallen door die Indonesiërs werden opgebouwd. Ze vielen mij achter elkaar aan alsof ze dat voordien hadden afgesproken.

 

... Maar mijn verhaal was waarschijnlijk niet geloofwaardig in zijn ogen en hij vermeed vanaf dien elk oogcontact. Zo kreeg ik het gevoel alsof ik in de verdachtenbank zat terwijl ik degene ben geweest die aangevallen werd door voor mij twee onbekende Indo's en niet andersom! Ik heb toen alleen maar mijn recht op zelfverdediging te recht benut, meer niet.

Ik kende indertijd verder niemand behalve dan mezelf en de groep aan wie ik les gaf. Ik ben alleen naar Nederland gekomen voor deze missie en mijn verhaal kon ik toen bij niemand anders kwijt dan alleen maar bij mezelf. Ik had destijds veel verdriet en kreeg daardoor steeds de aanvechting om terug te gaan naar mijn geboorteland. Ik moest van mijn achterban terugkeren wanneer ik vermoed dat ik belachelijk word gemaakt of respectloos wordt behandeld door vreemden. Mensen die normloos opgevoed zijn, zijn meestal zeer ondankbaar heb ik gemerkt.

 

De daarop volgende trainingsdagen verliepen gespannen. Dan kwam telkens weer het besef bij mij op, dat het vermoeiend is om omgang te hebben met mensen die zeer (bij)gelovig, goedgelovig en kleinzielig zijn van geest, en het is vooral ook erg vermoeiend om te redeneren met mensen die niet weten waar zij het over hebben.

In december 1981 werd mij door de heer Cucu S. medegedeeld dat zijn leden het gevoel hebben onder druk te staan door mijn voorouderlijke krachten en om die reden de zaal per 1 Januari 1982 heeft opgezegd. Zij bedankten mij nog voor mijn lessen en dat was het.

 

... Ik was verbijsterd en wist niet meer hoe ik moest nadenken of wat ik daartegen kon doen. Het leek allemaal zo onwerkelijk. Ik voelde mij leeg van binnen, misbruikt en verlaten. Desondanks liet ik mij niet kennen. Spoedig erna brak voor mij een tijdperk aan van achterklap en nijd wat achteraf bleek niet uit zichzelf is komen aanwaaien en dat de Indonesische top te lande zich gretig van bediende.

 

Voor mij daagde een penibele tijd op, wat voor mij klaarblij­kelijk betekende dat ik me hier moest zien te handhaven en oriënteren. Des te meer doordat deze bureaucrati­sche cultuur en asfaltjungle mij nog absoluut wildvreemd was, maar geluk­kig voor mij heb ik van mijn leermeesters en familieclan meer geleerd dan alleen maar theorie. Ik besloot zelf privé-lessen te gaan geven en verzamelde zodoende binnen korte tijd een groep mensen om mij heen en gaf met veel plezier les in Pencak-Silat.

En al doende de "Pencak-Silat" leren te verspreiden middels het verzorgen van cursussen in diverse Haagse sportaccommodaties, werd ik door diverse Indo-etnische groeperingen benaderd welke varieerde van R.M.S (Republiek Maluku Selatan) en dergelijke anti-Indonesia etnische minderheden groe­peringen. Zij waren bij voorbaat ervan overtuigd dat zij in Nederland via mij en met behulp van de Pencak-silat leren van het Vishnuh-Genootschap hun antipathie jegens het Jakartaans regime een extra dimensie konden geven. Deze groepen gefrustreerde Molukse immi­granten gingen sneller weg dan ze kwamen, nadat zij van mij te horen kregen, dat ik niet kan meewerken in hun vrijheidsstrijd, want daar voel ik mij niet bij betrokken. Bovendien ben ik geen Molukker noch Indonesiër en heb aldus met hun hele zaak niets te maken.

 

... Ik had ze misschien niet mogen weigeren, want door mijn standpunt daarover kreeg ik ongevraagde vijan­den. Hij, die de Molukse groep aanstuurde alsook het woord voerde liet doorschemeren, dat ik geen heil zou vinden in dit land, daar de Hollanders nog steeds slechteriken, uitbuiters en hypocrieten zijn van de eerste klas, en dat Nederlanders niets meer mochten verdienen aan de Indische Archipel, en dan ook op niets van dat alles wat daar vandaan afkomstig is of daaraan relateert. Dit wegens hun vroegere verdienste op Indonesië waar zij door land en volksuitbuiting rijk zijn geworden en aldus niets meer in hun handen mocht terechtkomen...

 

… Ik heb in eerste instantie het RMS verhaal beleefd en bedaard aangehoord. En op hun vraag "waarom ik zo nodig de Pencak-Silatleer in Europa en nog erbij in Nederland aan de afstammelingen van de vroegere volksuitbuiters en moordenaars van het Indonesische en Surinaamse volk de leren van het Vishnuh-Genootschap wil promoten, "antwoordde ik; dat ik volkomen op de hoogte was van de wereldgeschiedenis en dat Nederlanders en andere Europeanen in vroegere tijden flink huis hebben gehouden onder de inheemse volkeren mondiaal gezien waaronder ook in het toenmalige Nederlands-Indië en Suriname; dat ik alles weet van de Germaanse onderdrukkingsmethode, van slavernij tot aan hun zaligspreking toe; dat ik de huidige Nederlandse generatie niet verantwoordelijk acht voor de misdaden die voorheen door hun kwaadaardige voorouders wereldwijd werden begaan; dat de Pencak-Silatleer in principe voor iedereen bestemd is, behalve voor groepen mensen en individuen die hiermee medemensen zomaar kwaad willen gaan berokkenen."

 

...  Nadat zij mij hadden aangehoord liepen deze RMS-sers parmantig weg zonder te groeten. Uit het hele gesprek met genoemde groep kwam het bij mij over, dat deze gasten klaarblijkelijk niet alleen opdringerig maar ook zeer onbehoorlijk in hun gedrag zijn ten opzichte van medemensen en daarnaast vrij onbeschoft. Zij hebben in al die jaren van hun verblijf in Nederland dus geen manieren bijgebracht gekregen van hun ouwelui. En gelet op hun geschiedenisrelaas over de Indische Archipel ten opzichte van hun verraderlijke voorouders en het aandeel van de Indonesische vluchtelingen hier in Holland, hebben ze naar mijn inziens geen geschiedenislessen gehad op de Nederlandse scholen...

 

... En dit soort lieden wenste door mij opgeleid te worden in de Pencak-Silatleer van het Vishnuh-Genootschap! Neen, hier begin ik niet aan, want mensen die beweren af te stammen van de oudheid en hun eigen geschiedenis niet eens kennen, maar er wel zogenaamd voor wedijveren, vertrouw ik voor geen sikkepit. Het verraad zit ze duidelijk diep in de genen en voor zulke lui neem ik niet eens de moeite om een plaats voor ze te genereren binnen de gelederen van het Vishnuh-Genootschap.

... Let wel, voordat ik hier in Nederland aankwam wist ik niet veel af van RMS- of iets dergelijks, wel begreep ik meteen dat bijna allemaal afstammelingen zijn van landverraders en overlopers, maar ik verwachtte niet dat ik deze gasten hier in Nederland in grote getale zou aantreffen. Het was voor mij een extra gewaarwording. Ik maakte de R.M.S-ers beleefd duidelijk, dat ik niet anti-dit of anti-dat ben, maar dat ik Europa alleen heb aangedaan om mijn missie inzake het manifesteren van de Vishnuh-leren in het bijzonder de Pencak-silatleer tot een goed einde te brengen en geen boodschap heb voor rebellerende ele­menten.  

 

 

INTIMIDATIE DOOR DE "KONTOLGROEP"

 

Nadat ik genoeg kreeg van de talloze en veelal doorzichtige samenzweringen door, vanuit de Indonesische ambassade gestuurde Indonesiërs, welke tegen mijn persoon waren gericht, ver­trok ik in 1983 goedge­mutst naar het Noorden des lands (= de Provincie Gronin­gen.) Ik kwam terecht in Hoogezand-Sappemeer en betrok een woning in de Joh.Vermeerstraat nr. 49. Maar zelfs hier werd ik niet met rust gelaten waarbij roddel en hypocri­sie alweer haar intrede deden, die mij onder­wijl bekend waren als de gelief­koosde wapens van Indonesi­sche veinze­laars en consorten.


Op een avond in november 1984, toen ik met een trouwe leerling, Remko Lohr, een training had in de Sportschool Bao Trieu, die gevestigd was ergens in een zijstraatje in de binnenstad van Groningen, werden wij na afloop van onze Pencak-Silat training omsingeld door de heren Risakotta, Frans Veetman, George Frederiksz en nog een aantal andere Indo's waarvan hun namen mij vooralsnog onbekend zijn.

 

... Dit omdat ik eerder in de krant (Het Nieuwsblad van het Noorden) tijdens een interview gezegd had, dat buiten mij om verder "niemand" de Pencak-Silat beoefende zoals ze was". En waarschijnlijk voelden deze lieden zich door mijn terechte uitlating aangesproken en kwamen daarvoor bij de sportschool langs, waar wij een zaal hadden gehuurd voor onze Pencak trainingen. Dus ze kwamen verhaal halen middels omsingeling omdat zij door mijn uitspraken in de krant beledigd waren.

 

Maar wat de ware bedoeling van hun opkomst was is mij tot op heden nog steeds niet helemaal duidelijk, maar de heer George Frederiksz uit Leeuwarden stapte op mij af en overhandigde mij als een geroutineerde zakenman namens de aanwezige groep een blad papier waarop staat geschreven en getekend : "1+1=3 gevolgd door een tekening van een "fallus" (= stijve piemel) met bovenaan in hoofdletters het opschrift "KONTOL" (=Javaans voor Penis.)

M.a.w., deze Indo's kwamen duidelijk niet met vreedzame bedoelingen, want zij lieten middels dat blad papier met inhoud blijken wie zij feitelijk waren. Ze hadden een Fallus getekend maar waren de ballen vergeten. Dit zegt genoeg over deze mensen, dus ze hebben geen ballen. Punt één, tellen kunnen ze niet want bij mijn weten is 1+1 nog altijd 2, en ten tweede behelst de op het papier getekende fallus waarschijnlijk hun familienaam of familiewapen wat in mijn ogen in deze context niet veel goeds kon betekenen. Ik had begrepen dat het onderhavige vod papier wat ik van deze loslopende Indogroep in handen kreeg hun visitekaartje was.

 

... Ze noemden zichzelf toendertijd de "Kontolgroep (= de stijve lullengroep.)" En gelet op hun familiewapen had ik hier met "Fallus-aanhangers" van doen, want wie loopt er nou rond met een papiertje met daarop een getekende erecte lul in de hand? Zo een visitekaartje heb ik nog nooit eerder in mijn hele leven gezien hetwelk ik aangereikt heb gekregen van de heer George Frederiksz uit Leeuwarden. Hoe is het mogelijk dat mensen zich kunnen verlagen tot zo een laag niveau?

Een grijze Indonesisch uitziende man, genaamd Risakotta, die als een maffiabaas temidden van de groep op een stoel zat nam het woord en er kwam alleen maar onzin uit diens mond, achteraf gebleken nadat ik dat papiertje in mijn handen had gekregen gewoon slap gelul. Op mijn vraag of hij een guru was gaf hij volmondig toe dat geen van de aanwezigen die bij hem horen noch hijzelf een guru was, maar dat zij allen onder een hoofdleraar met name Thomis trainden waar zij technieken van hebben geleerd en op basis daarvan weer les gaven aan anderen.

 

Nadat ik hun zogenaamde grieven had aangehoord sprak ik Risakotta aan in het Nederlands en vroeg hem waarom de hoofdleraar Thomis zelf niet is komen opdagen om mij aan te spreken. Hij antwoordde, dat "deze" het erg druk had.

 

Daarop zei ik, dat ik gurubesar ben van een Zuid-Amerikaanse kloosterorde en dat ik hun leraar Thomis al eerder had gesproken in een gemeentelijke gymzaal in Gorecht-Oost (Hoogezand-Sappemeer) alwaar ik hem een beleefdheidsbezoek had gebracht en waarin "hij" mij zelf vertelde dat hij in feite ook geen Guru was maar gewoon op grond van zijn sportverleden een gevechtstijl heeft ontwikkeld met name, de "Harimau Kuntao Bongkot" en deze heeft opgeleukt met de naam Pencak-Silat.

 

... Daar houden Hollanders van", heeft Thomis persoonlijk tegen mij gezegd, en omdat hij Indonesisch is heeft hij voor het gemak de naam "Pencak-Silat" eraan gekoppeld. Ik beeïndigde mijn betoog en sprak in het Javaans tegen de heer Risakotta, dat ik geen discussies kan aangaan met leerlingen van andere leermeesters en dat ik moe was van de training en derhalve naar huis ga, waarna ik samen met mijn leerling Remko Lohr de sportschool uitliep en de indringers als afkomstig van de Thomisgroep verbouwereerd achter ons lieten staan in de sportschool.

 

Toegegeven; zij hebben ons niet achtervolgd naar buiten noch pogingen gedaan om iets verkeerd tegen ons te ondernemen. Praten mag, maar aan onze / mijn lijf komen is uiterst verboden. Deze boodschap was voor hun geluk hun totzover wel goed duidelijk. Kwekken mag, maar blijf met je tengels van ons af!

 

... Maar waar deze Bongkot groepering oftewel de "stijve lullengroep" het eigenlijk over heeft? Uit hun eigen verhaal blijkt echter dat ze niet de Pencak-Silat beoefenen zoals ze was, maar zoals zoveel anderen slechts deze naam gebruiken naar eigen idee en naar willekeur. Ik ben geenszins voornemens om te disputeren met mensen met een beperkte bevattingsvermogen noch tegen figuren die zelf niet weten waar zij het over hebben, want discussiëren met dergelijke lui is zeer vermoeiend c.q. onmogelijk.

Dat was één van de vele intimidatiepogingen van de Thomis sportgroep, en eerlijk gezegd, als het tot een harde confrontatie was uitgekomen zou er toen zeker doden zijn gevallen. Ik was op dat moment zeer gespannen en voelde me opgejaagd en bedreigd. Ik nam me meteen voor om bij de geringste verdachte beweging van deze Indogroep in een fractie van een seconde als eerste Risakotta de keel door te snijden, die vlak voor mij op een stoel zat, dit om verbijstering en paniek te zaaien en hiervan gebruikmakend dan gewoon om me heen te keer gaan als een dolle stier, mata gelap.

 

... In een gevechtsconfrontatie maak je eerst de leider van de agerende groep af en dan volgt de rest, zo heb ik dat geleerd van mijn grootouders, want om het vege lijf te redden moet een krijger in een ongelijke gevechtssituatie gekker zijn dan boevengek door op dat moment het meest ondenkbare, het meest afgrijselijke en het meest onverwachte te creëren teneinde de aanval van de vijand meedogenloos af te slaan...

 

... Ik was er geheel op voorbereid met een vlijmscherpe familiewapen achter mijn riemgordel dat ik gretig gebruikt zou hebben in het heetst van de strijd inzake een ongelijk gevecht van meer dan 7 mannen tegen 2-personen. Buiten dat was ik verantwoordelijk voor de veiligheid van mijn leerling, die tijdens dat onderhoud vlak naast mij stond, ik moest er voor zorgen dat wanneer er een gevecht uit zou breken hij zich ongedeerd kon terugtrekken daar het alleen mij persoonlijk aanging.

 

... Op dat moment dacht ik aan mijn grootvader die mij geleerd heeft om altijd op te komen voor mezelf en klaar te staan voor mijn leden en hun fouten op me te nemen. En de waar gebeurde verhalen van Nederlandse slachtoffers liegen er zeker niet om, dat dit soort figuren afkomstig van de Indogemeenschap hier in Nederland volgaarne in groepsverband opereren en medemensen in elkaar slaan om hun grieven te botvieren of wanneer iemand hen niet aanstaat. Dit soort geweld was in die tijd schering en inslag.

 

Deze Indo's zijn gewoon lafaards, want als ze alleen zijn durven ze niks en zeggen je glimlachend en onderdanig goedendag, maar als ze met meerdere zijn dan durven ze wel. Deze Indo's hebben mij zeer zwaar onderschat zodat dit gegeven in mijn voordeel zou gaan werken als een gevecht voorhanden was, en een doldrieste en vernietigende reactie verwachten ze niet van mij, ik was tenslotte in hun ogen toch maar een domme alleen staande zielige Surinamer...

 

... De Indo's voelden zich waarschijnlijk erg sterk en ze waren in de meerderheid, zodat ik zeker wist dat geen van deze Indo's deze dag zou overleven zodra zij overmoedig worden en het tot een handgemeen komt. Ik wilde ook van die gelegenheid gebruik maken om voor eens en voor altijd af te rekenen met alle pesterijen van deze Indogroepering. Ik kon haast niet wachten om deze "Kontolgroep" te grazen te nemen, maar de fysieke bedreiging die ik van ze verwachtte bleef helaas uit. Ik zou heerlijk te keer zijn gegaan om ook zodoende de wereld op zeer primitieve manier te doen weten wat Pencak-Silat daadwerkelijk is.

 

... Derhalve is de Pencak-Silat geen sport, maar een gevechtsleer om de kwaadaardige mensheid ongeacht grootte en gewicht in alle tijdsaspecten te overleven. De Pencak-Silat is wetenschappelijk ontwikkeld voor de slagvelden, voor een gevecht op leven en dood, het is geen sport noch een balletvoorstelling, maar een doodserieuze aangelegenheid.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik weet dat ik helaas geen tovenaar ben, ook niet een Rambo-figuur, en het gebruik van een snijwapen in combinatie met de Pencak-Silat technieken zou, wanneer het tot een gevecht met de Bongkotgroep was uitgekomen, mijn goed recht zijn geweest ter zelfverdediging tegen een kwaadaardige overmacht. En een in het nauw gedreven kat maakt rare sprongen, want ik ben niet sterk, ik ben maar een klein mannetje, maar desondanks ook niet breekbaar. Verder ben ik geen vechtersbaas en dat straal ik ook niet uit, ik vermijdt zoveel mogelijk ruzies, dat zelfs mensen die mij al jarenlang kennen welgemeend zeggen, dat ik veels te lief ben voor deze wereld omdat ik vaak in mijn recht de theorie praktiseer van "Ach Laat Maar."

 

Voorts huil ik stiekem uit machteloze woede wanneer iemand mij verdriet aandoet, maar anderzijds doe ik voor niemand een stap opzij wanneer mijn leven gevaar dreigt te lopen, en "ik beken" dat ik op die bewuste avond zinnens was om met goed berekenende precisie zoveel mogelijk van deze spijtoptanten te doden voordat ik zelf gewond raakte. Ik had onderwijl de afstand tussen de knokploeg en mij al berekend en wist derhalve precies hoeveel mannen achter-, naast- en voor mij stonden. Op basis hiervan had ik mijn gevechtsstrategie al ingeschat en bepaald in afwachting van wat er zou komen. Mijn stelling op dat precaire moment was "Ik heb niets te verliezen noch laat ik mij door niemand mishandelen."

 

Ik heb destijds in Den Haag mijn belagers in leven gelaten maar dat doe ik de volgende keer niet weer dat mijn aanvallers levend het strijdtoneel verlaten. Ik ben in sommige gevallen weloverwogen primitief en wie volgens onze levensleer zijn handen opheft tegenover iemand, die heeft dan geen recht meer van leven. Slaan is een teken van minachting hebben voor de ander, en "zelfverdediging om zelfbehoud en vrije meningsuiting is ieder zijn levensrecht" en wat gij niet wilt dat u geschiedt doe het dan een ander niet.

Door deze omsingelingsactie van de Groningse "Harimau kuntao Bongkot" groep oftewel de "Kontol-groep" en de afwezigheid daarbij van hun hoofdleraar Thomis, heeft de Indogroepering in kwestie haar kwaadwillendheid en misselijk makende lafheid ruim aangetoond. En hun hoofdleraar heeft door het op mij afsturen van zijn leerlingen duidelijk gemaakt waar dat lafhartig gedrag vandaan kwam, want persoonlijk durfde hij niet te komen praten maar stuurde wel zijn leerlingen op mij af om zijn vuile akkefietjes op te knappen.

 

Ook woonde een paar huizen verderop in dezelfde straat waar ik gedomicilieerd was een A. de Haan, die naar later bleek toenmaals in de leer was bij de pukulan instructeur Henry de Thomis en zijn kliek in Groningen, die mijn Pencak-Silat-verrichtingen achter op de parkeerplaats vanuit zijn achterbalkon altijd nauwlettend gadesloeg. Hij was ook getuige van mijn beleefdheidsbezoek aan zijn leermeester Thomis in de gymzaal te Gorecht-Oost in Hoogezand-Sappemeer.

 

Op die bewuste dag kwam ik de sportzaal binnen en zag de heer Thomis op dat moment de groet van zijn pukulanstijl afnemen ten aanzien van zijn leerlingen waarna hij direct naar mij toekwam voor een gesprek, nadat hij Andre de Haan over de aanwezige groep de leiding gaf. Zo zie je maar weer, een onbekende buurman die door zijn verrekijker loert naar een ander en alles doorbrieft aan mijn vijand, is net zo schuldig als de plegers zelf. Ik kan namen noemen van betrokkenen die allemaal hun steentje hebben bijgedragen tot hetze en hoe zij dat deden. En al wat hier voorshands beschreven is, is slechts een topje van de ijsberg. Maar ik laat nu alles vooralsnog bij deze.

 

Ooit neem ik wraak, maar eerst de lontarboeken vertalen en vastleggen was "indertijd" mijn motto en daarna mag wat mij betreft de pleuris bij ze uitbreken.

 

Dit is de waarheid zoals daadwerkelijk is voorgevallen. Roddelen doe ik niet, want kwaadspreken is één van de vele kwaadaardige hobby's en ingewortelde kwaadaardige eigenschappen van mijn kwaadaardige Indo-opponenten. Hiervoor heb ik onafhankelijke ooggetuigen die mijn verklaringen stellig kunnen beamen.

 

Het is feitelijk te veel eer om mijn vroegere belagers in mijn boeken te vermelden, maar ik wil ze in deze eenmalig hun indertijd getoonde stoerdoenerijen niet onthouden. Enkelen van hen vertelde het aan bijna iedereen die het maar horen wilde, werkzaam te zijn als (detective) bij het Korps politie in Groningen. En de heer Thomis werkte er als parketwacht evenals zijn zoon, en ze liepen er zo parmantig rond, dat ik me wel eens heb afgevraagd waar deze over het paard getilde Indo’s dat air toch vandaan haalden. Alsof men bang zou moeten zijn dat ze voor justitie werken en connecties hebben met de politie en dat men daarom zich geïntimideerd zou moeten voelen. In die Indo contreien is het wellicht een geweldige prestatie om bij de politie te werken, maar ook daar komt op een keer een einde aan.

 

Maar ondanks de harde feiten en gegronde vermoedens ging ik uit menslievendheid toch vanuit dat de hoofdleraar wellicht niet op de hoogte was van het intimidatiebezoek van de "Kontolgroep" die mij de naam "Henri Subandi de Thomis" heeft genoemd als hun hoofdleraar. En wat zijn opvolgers betreft, de appel valt niet ver van de boom, en "zij" die uit hoofde van hun beroep zich van alles ongestraft denken te mogen permitteren en daarbij wellicht menen onschendbaar te zijn, zullen weldra zichzelf tegenkomen.

 

... Verder geloof ik zelf niet wat ik zeg en schrijf, doch ik zeg en schrijf alleen maar wat ik waarneem en heb waargenomen. Ik hou voorshands nog verschillende stokken achter de deur tegen allen die gewetenloos hadden meegewerkt aan hetze tegen het Vishnuh-Genootschap en tegen mij in persoon.

En wat mijn huidige positie betreft; ik ben jarenlang afgekeurd geweest voor deelname aan arbeid in deze maatschappij vanwege de medische constatering dat ik aan een Post Traumatische Stress Syndroom lijdt (PTSS).  Daarbij heeft een Psychoanalysetest, die in opdracht van een overheidsorgaan (gem. sociale dienst) werd uitgevoerd, geconstateerd dat ik een groot gevaar kan betekenen voor bepaalde personen en organisaties in deze samenleving.

 

Mijn spontaniteit en de lach in mijn gezicht werden mij door de jaren heen ontnomen. Er is in de afgelopen jaren allengs iets in mij geknapt, zonder dat ik dit besefte. Ik had ook hier  kunnen vertellen dat het me in al die jaren in Nederland uitstekend is gegaan en dat ik onwrikbaar was en alle tegenslagen stoer heb doorstaan etc. Maar ik heb niets aan jokken, want daar schiet ik niets mee op. Ik ben ook maar een mens met gebreken, onvolkomenheden en eigenaardigheden zoals elk ander mens. Ik bloed ook rood wanneer ik mij in de vinger snijd.

 

Trots dit alles heb ik geen aanklacht ingediend wegens Indo en Molukse dreigementen. Ik heb de instantie, de Indonesische ambassade en binnenwacht, die ik verantwoordelijk acht voor de aanslag op mijn leven te Den Haag, niet voor de rechter gesleept. Vervolgens heb ik tot thans niemand aansprakelijk gesteld of enig schadevergoeding geëist voor wat betreft de immateriële en materiële schade die ik jarenlang heb ervaren welke voortvloeide uit moedwillige ophitsing door hun toedoen. 

 

Ik heb mij gedurende al die tijd voorgenomen om rustig te blijven en niet aan ze te ergeren terwijl ze ondertussen meer dan eens het bloed onder mijn nagels vandaan haalden. Door de laaghartige acties die bepaalde Indogroepen en gevolg tegen mij ondernamen werd ik soms zo furieus, dat mijn familiewapen meerdere malen op scherp kwam te staan.

 

Het kon me vaak gaandeweg mijn levenswandel op wisselende momenten niet schelen wie van de Indo's tot het Groningse politiekorps behoorde en wilde ze zo graag ferm van langs geven door alleen maar mijn armen te strekken en dol worden van primitieve woede en mij gewoon werpen in het diepe, tussen hen in, en er dan pardonloos een beestenboel van maken.

 

... Dus Politie of niet, toch maar gewoon de kop eraf, was mijn motto! Tja, mensen kunnen iemand inderdaad zo ver krijgen, ik weet er alles van!

... Maar ik hield trots alle pesterijen mij toch in en redeneerde als volgt; “zolang ze zoals ze gebekt zijn alleen maar rondblaffen en niet bijten, "vind ik alles best", .


Als men mijn verhaal op de keper beschouwt zal men begrijpen waarom ik mateloos verbolgen ben. Ik ben hiervoor ook ooit in behandeling geweest bij een Eerstelijnspsycholoog, want ik dacht, "baat het niet dan schaadt het ook niet", dit omdat ik al ruim 30-jaar rond loop met een trauma dat mij werd bezorgd door kwaadaardige mensen en instanties van een zeer laag allooi. Deze kunnen naar mijn bevindingen allemaal hoofdverantwoordelijk worden gehouden voor de hetze in kwestie.

 

... Let wel; het is niet de wil van God (en) dat dit allemaal mij is overkomen in Nederland, maar het zijn kwaadwillige mensen die op basis van hun hersenkronkel, ziekelijke jaloezie en egoïsme andersdenkenden tegenwerken, ze kwaad berokkenen, geestelijk of lichamelijk pijnigen, en daarbij te pas en te onpas het begrip God hanteren om zichzelf vrij te kunnen pleiten van hun kwaadaardig gedrag jegens medemensen. En dit baldadig en onmenselijk gedrag is het Christendom eigen.

 

... Buiten dat is het niet altijd eenvoudig en gemakkelijk om als kansarme burger in een Christelijke maatschappij bij vermeende onrecht door een ander  een rechtszaak aanhangig te maken om in het gelijk te worden gesteld of je recht te halen. Bij gebrek aan geld voor de onkosten die komen kijken bij een rechtszaak is de minder bedeelde zo goed als verloren waardoor men niet vrijelijk een beroep kan doen op de rechtstaat wanneer een armoedzaaier in zijn recht staat. En dan durft men nog te spreken over gelijke rechten in een religieuze maatschappij, die in werkelijkheid hier nog ver te zoeken is.

 

... Verder dekt een pro-deo regeling c.q. toevoeging niet alle proceskosten, zodat alleen wie geld achter de hand heeft ook de meeste kans van slagen heeft op het behalen van zijn recht in een rechtmatige maatschappij. En dan nog is de vraag of er voor iemand die in zijn recht staat ook naar tevredenheid en rechtvaardigheid recht wordt gesproken, want recht is meestal net zo krom als de Bijbel en de Koran waaruit men leert om een slecht mens te zijn in plaats van het omgekeerde.

 

... En deze rechtsongelijkheid noemt men Christelijke rechtvaardigheid? Nou die christelijke gelijkheid in de vertegenwoordiging van mensenrechtenschendingen in een rechtmatigheidstelsel en in de wetgeving van dit soort religieuze landen is anders heel ver te zoeken.

 

... Daarbij zijn er mensen die als de beste stuurlui aan wal staan en menen het beter te weten dan de ander, omdat ze zelf nimmer in zo'n belabberde positie hebben verkeerd, totdat ze zelf geconfronteerd worden met een soortgelijke situatie waarin ze onverhoopt belanden waar ze vervolgens geen antwoord noch uitweg meer weten en zich dan pas realiseren, dat het teken van "vrouwe Justitia" twijfelachtig van aard is en inhoudt dat in de praktijk "Recht" regelmatig "Krom"  is en-of naar willekeur word toegepast door de belanghebbende ambtenarij en de overheid c.q. rechtsstaat.

 

.. Men wordt hier in Europa gewoon geleefd of men het nou wilt of niet, en dit is ook een vorm van geweld, "geestelijk geweld", een onderhandse formaliteit van mensenrechtenschending verweven in een democratisch jasje!"

 

Op een gegeven moment werd dit allemaal mij te veel. Daarom besloot ik om zelf op onderzoek uit te gaan, dit nadat ik eerst een passende opleiding had gevolgd. Toen ik in 1996 de opleiding “Privé Detective” met goed gevolg had afgerond ben ik landelijk begonnen met de opsporing van mijn kwelgeesten. Hierbij heb ik alle opsporingstechnieken toegepast die ik in de onderhavige opleiding had aangeleerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik weet nu alles van de Indowereld af waarvan de meeste ongelikte racisten en hautain zijn in hun gedrag, en ik weet nu ook dingen van ze, die het daglicht niet kan verdragen. In het algemeen is het toegestaan van je vijand te leren, maar deze Indo’s hadden mij wederom grandioos onderschat. Ik had ze in mijn nachtelijke onderzoeken van alles aan kunnen doen, ze waren nimmer alert en altijd nonchalant in hun omgang met medenaasten, die aan mijn kant staan.

 

De Indo's waren zeer kwetsbaar, ze beseften toentertijd niet, dat ze voor mij een zeer gemakkelijke prooi waren. De leer der Pencak-Silat weerhield mij ervan om hun wat aan te doen. In feite hadden ze mij lijfelijk niets misdaan zodat er voor mij ook geen enkele reden was om in hun nachtrust dodelijk toe te slaan.

 

De Natuur was in al deze speurtochten overal met mij aanwezig, en wanneer mijn woede op bepaalde momenten ten top steeg, fluisterde deze in mijn oren het volgende; “wees geen dief van de Natuur; alleen de Natuur is gemachtigd om een leven te nemen; de natuur is de schepper des levens; het leven is een product van de Natuur. En zolang de ene mens de ander niet lijfelijk heeft gekrenkt heeft deze geen recht op het leven van de ander, dan is alleen de Natuur de enige aangewezene die beslist over leven en dood van ieder levend wezen.”


... Ik was echter niet nieuwsgierig, maar ik wilde alleen weten of mijn antagonisten ook wel sliepen en wat ze zoal uitvraten in hun dagelijkse leven wanneer ze dachten dat ze alleen waren, veilig en wel op de bank. Meer hoefde ik niet te weten, zij hebben mij fysiek niets misdaan en ik liet ze derhalve ook met rust; ik ben een krijger en geen natuurdief.

 

... Doordat ik jarenlang een teruggetrokken leven heb geleid was de wederpartij zo overmoedig geworden dat ze zich in al die jaren niet realiseerde, dat ze al een hele tijd met vuur speelde. Deze Nederlandse kwaadaardige Indo's in kwestie zijn laaghartig tot op het bot en buitendien waardeloze branieschoppers wanneer het voor ze er op aan komt!

 

... Het was  voor ze te verwachten, dat “wie een Tijger bewust op z’n staart trapt dan ook grote heibel mag verwachten, komt de aanval niet vandaag dan komt die morgen, enwel onverwacht als een bliksemstraal bij heldere lucht, en wij Vishnuïsten komen uit het niets, wij slaan toe en verdwijnen weer alsof wij er nooit zijn geweest...

 

... Terwijl ik in Europa geconfronteerd werd met allerlei onaangenaamheden door kwaadaardige mensen, zon mijn achterban overzee gedurende al die tijd op wraak en stond klaar in afwachting van mijn decisie. Ze was paraat en popelden van ongeduld om overzees letaal toe te slaan. Maar neen, het mag wat mij betreft niet zover komen, aangezien geweld geen oplossing is. En de inhoudelijke hoofdregel van het Vishnuh-Genootschap staat nodeloos geweld niet toe, hoezeer men zich ook geestelijk gekrenkt mocht voelen. De natuurwet luidt; zolang de ene mens de ander niet lijfelijk heeft gekrenkt moet men zijn handen van zijn medemens(en) afhouden."  Wij zijn krijgers, zoals van oudsher opgevoed met edelmoedigheid, waardering en achting voor het leven, zolang mensen met hun ledematen van ons afblijven.

 

... Ik had die Indogasten op basis van repercussie, door loochening van de natuurwet en ontkentenis van onze hoofdregel ten aanzien van het leven, allemaal stuk voor stuk kunnen vermorzelen, en op zo danige wijze dat het rouwproces en gejank van hun nabestaanden helemaal in Indonesië te horen zouden zijn.

 

... Daarbij zou ik, om verdenkingen tegen mij te voorkomen, inheemse krijgsvaardigheden hebben gebruikt voor deze stille oorlogvoering, waarbij een rechtsstaat, westerling noch westerse specialist geen flauw benul van heeft en bij hen geen argwaan zou hebben gewekt, betreffende verworvenheden die in het verleden door mijn voorouders met succes werden toegepast tegen een legio onverlaten en vijandiggezinde volksstammen, waardoor ik, als dit was gebeurd, voor mijn wandaden vrijuit zou zijn gegaan tezamen met de neberoeclan (een tak van een inheemse stam die indertijd zich heeft gevoegd bij het Vishnuh-Genootschap, ook Vishnuïsten), die gespecialiseerd  is in vooroudse moordtechnieken en die zeer ongeduldig en in spanning stond te wachten op mijn teken om in mijn vendetta tegen Indo geteisem betrokken te worden.


Ten aanzien van het bovenstaande is het voor rechtvaardige wrekers zeer raadzaam om niemand vooraf over op handen zijnde plannen in te lichten, ook niet na de uitvoering van de daad. Ook dient men te weten wat zwijgen is, zodat men ongestraft blijft binnen de letter van de wet van de in het land van verblijf geldende rechtsnormen, regels en wetten, die met de regelmaat van de klok naar willekeur worden toegepast door het rechtssysteem, door gezagsdragers en directe belanghebbenden...

 

... Wie door een ander lijfelijk is gekrenkt en geen vertrouwen heeft in de afhandeling ervan in een rechtszaak of als deze niet naar volle tevredenheid is afgehandeld en derhalve het eigen recht alsnog in handen wenst te nemen, dient dan het volgende in acht te nemen...

 

... In een rechtsstaat is het zo, dat wanneer iemand gearresteerd word op verdenking van welke misdrijf dan ook, men dit in de meeste gevallen in de eerste plaats te wijten heeft aan zijn praatgrage cultuur en machogedrag in de kroeg of elders waardoor zo iemand op zekere dag beslist word verraden door o.a. een zogezegd betrouwbare vriend (in) of metgezel en aan wie men zijn verhaal heeft toevertrouwd. Dus verraad vind meestal plaats door een kennis, een familielid of door zomaar een hypocriete passant met gespitste oren.

 

... Bedenk, dat de waarheidsvinding van Justitie in het algemeen voor de volle 95% gebaseerd is op praatjes en roddels van derden of van de kliklijn door beroepsverraders. Wie toch zonodig zijn ei kwijt wil, doe dit dan aan een boom, maar kijk eerst goed om je heen of er niemand in de nabijheid van de betreffende boom aanwezig is of erachter schuilt. Aan de boom zal het niet liggen dat men opgepakt is, omdat deze niet kan praten. Daarnaast dient men ook rekening te houden met de geavanceerde afluistertechnieken en apparaten..

 

... Ieder heeft recht van zwijgen, en zwijgen betekent niet automatisch dat men schuldig is of iets toegeeft. Laat de ander maar denken wat hij of zij wil en zichzelf belachelijk maken volgens de stelling "zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten." Niemand is verplicht om zijn geheim voor een ander bloot te leggen. Vertel liever niets en vooral nooit aan je quasi beste vriend, ook niet in vertrouwen, want deze zal al het toevertrouwde wederom aan zijn zogenaamde beste vrienden doorvertellen, ook in vertrouwen natuurlijk waardoor het balletje blijft rollen tot de oren van iemand, die verondersteld niet met die wetenschap kan leven en daarin zijn kansen schoon ziet, om de ander een justitiële poets te bakken teneinde de eventuele beloning op te strijken...  

 

... Vergeet hierbij niet, dat de grootste groep verraders in de tweede wereldoorlog de Nederlandse NSB was, dus de overgeërfde verraderlijke inborst zit het Nederlandse volk nog diep in het bloed. Uiteraard, niet iedere Hollander of Europeaan is behept met verklikkerbloed, maar in een land als Nederland waar rechtvaardigheid ver te zoeken is en waar "recht" net zo "krom" is als hun heilige boek, moet elke rechtvaardige burger op zijn tellen passen, want hier worden medeburgers vaak verraden of kapotgemaakt door degenen van wie men het nooit zou verwachten, en vaak op basis van puur jaloezie.

... En deze perfiditeit word heden ten dage bij de burgerij warm gehouden door de democratiestelsel waarin sociale controle en verraad hand in hand samen gaan. Daarnaast wordt de verraderlijke inborst ook keer op keer voor eigen belang aangewakkerd door politici, de overheid en haar organen, die gezien hun voorouderlijke historie in valsheid, kind zijn aan huis...

 

... Gelet op het donkere koloniaal verleden van de Europese gemeenschap die door de geschiedenis heen haar ingezetenen regelmatig en naar willekeur valselijk heeft behandeld en  naar eigen inziens verraden, waren "meedogenloosheid, onrechtvaardigheid, onmenselijkheid en egoïsme" ten opzichte van de door hen onderdrukte volken vier handen op één buik, en zelfs nu nog! En na begane wandaden of wanneer een hunner beslissing mis ging, dan wastte de heersende eliteklasse gretig hun handen in onschuld. Buiten dat beriepen ze zich met graagte op hun onschendbaarheid als de wil van hun God. Daarbij werd gaandeweg de grondwet gebaseerd op de Bijbel welke in deze tijd onveranderlijk is gebleven en navolging vindt in de hedendaagse maatschappij wereldwijd. Zie hieronder het slechte voorbeeld dat is verwerkt in de constitutie van een legio religieuze landen:

 

 

Romeinen 13:1-7;

 

'"1. Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

 

2. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.

 

3. Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeert handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen.

 

4. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft.

 

5. Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil.

 

6. Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten.

 

7 Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt”.

 

 

Daarom..., vertrouw nooit de overheid noch haar uitvoeringsorganen, en vertrouw bovenal nooit een ambtenaar, want deze handelen nolens volens blindelings naar de instructies van de centrale machthebbers. En de geijkte interpretaties die wereldwijd in de hedendaagse staatkunde voorkomen danken bijkans allemaal hun afkomst aan de Bijbel en kunnen  derhalve breed worden uitgemeten. Desondanks werden de gewraakte Bijbelse passages toch opgenomen in de grondwet wat ook apert de kwaadaardigheid van de regering en haar bewindslieden aangeeft.

 

... Dan niet te vergeten de godsdienstinstellingen o.a. kerken, religieuze scholen, de sektes en moderne schriftgeleerden die de Bijbel in hun slaap kunnen oplepelen en hiertoe ook allerlei dwaze theorieën verzinnen om de gewraakte Bijbelse passages in alle opzichten alsnog goed te praten en de voortzetting ervan propageren in een voor het oog welgevallig jasje. Deze zijn gewetenloze en schijnheilige mensen die alles wat slecht is toch naar de hand van de machthebbers en de overheid weten te zetten teneinde de burgerij alsnog met valse devotie te strikken, en dit puur uit eigen belang en egoïsme...

 

... Zodoende blijft de mensheid verankert in een godsdienstwaanzin waardoor het volk dom en achterlijk blijft en inviteert tot slechtheid jegens haar evenmens, een en ander middels de absolutietheorie die gewiekst in de Bijbel is verwerkt. Met andere woorden, leef maar op los, betracht slaafse navolging, doe de ander maar zo kwaad mogelijk, want God vergeeft uiteindelijk elke gelovige, ongeacht de slechtheid van de betrokkene, waarna bij betoon van berouw de hemelpoort voor de zondaar subiet open gaat. Dat tot op heden religies op legale wijze geweld aanspoort en de plegers daarvan beloond, en voorts zich verenigd met alles wat tegen de menselijkheid indruist, is toch van de zotte?

 

... Ik ben religieus neutraal, aldus niet hypocriet en daarom zeg ik onverholen mijn mening  tegen mijn huichelachtige religieuze medenaasten en men mag weten, dat ik een gloeiende hekel heb aan hun schijnheilig religieus gedrag tegen natuurgenoten.

 

... Om terug te komen op mijn levensverhaal; ik ben heel erg verheugd, dat mijn vermogen tot verstandelijk denken het niet heeft begeven in al die jaren van tegenwerking en roddelarij door derden. En onderwijl heb ik mij volslagen van de gedachtegang tot "retorsie" gevrijwaard door niet aan mensenrechtenschending toe te geven...

 

... Dit gegeven is voor mij het overduidelijk bewijs, dat de leren van het Vishnuh-Genootschap in deze maatschappij gevaarloos blijken te zijn voor medemensen en toereikend functioneren om geestelijke problemen het hoofd te kunnen bieden. Zodoende ben ik geestelijk weer tot mezelf gekomen en heb alle wraakgevoelens laten varen, die ik vroeger koesterde ten opzichte van bepaalde elementen en de maatschappij. Ik heb besloten om voor de middenweg te kiezen door te blijven behouden wat ik al had en te blijven waar ik al was en verder mijn doelstellingen continueren die ik voor ogen heb...

 

... Deswege kies ik niet voor Rechts, ook niet voor Links, maar ik kies voor “het Vishnuh-Genootschap” en blijft ook bij deze zoals van oudsher, maar zonder daarbij in haar voetsporen te treden zoals zij eertijds op de Indische archipel op grond van weerwraak zou hebben gedaan, terzake destructie te gelasten door niets en niemand ontziend verderf en vernietiging te brengen aan allen die haar ooit kwaad probeerde te berokkenen...

 

... Deze handelwijze was in de voorgeschiedenis van de Indische archipel wel relevant, waarbij overleven een must was en waarin wetten en regels nog niet bestonden. Tegenwoordig is de schrijfpen een sociale vechtmachine en ook wereldlijk algemeen maatschappelijk aanvaardbaar.

 

... Ik verfoei geweld in welke vorm dan ook, desondanks mag niemand de uitgeoefende dwang door de overheid verwaarlozen wiens machtslust en eigengereidheid, ter handhaving van de maatschappij, kan leiden tot wreedheden bij medeburgers. Daarom dient de mens die behouden wenst te blijven, ter voorkoming van onaangenaamheden door de medemens, voldoende kennis te vergaren om zich daadwerkelijk geestelijk en fysiek te kunnen verzetten of om klaar te staan bij confrontaties met onmenselijkheden van de samenleving waarin men leeft.

 

... Ik heb mij bij het schrijven van mijn autobiografie voorgenomen om eerlijk te zijn tegen mijn medemensen en om ze mijn wraakgevoelens en denkwijze niet te verhelen, zodat men begrijpt dat ik ook maar een mens ben en hierdoor net zo gevoelig en wraakzuchtig kan zijn zoals ieder ander levend wezen, maar geleid door zelfdiscipline en menslievendheid mijn menselijkheid heb weten te behouden en dat ik ten opzichte van al wat leeft vergevingsgezind ben gebleven.

 

... Het zou het Vishnuh-Genootschap geenszins sieren noch mijn missie enig goed doen in Europa als ik de last op mij zou hebben genomen van “Neberoe” of van de geijkte “Natuurdief” wanneer ik eigen rechter was gaan spelen door een vendetta op een hele massa Indo etterbakken te bewerkstelligen.  Dat velen daarbij onze niet-religieuze levensbeschouwing als bondgenootschap en als handvat gebruikten om mij in een kwaad daglicht te stellen in hun egoïstische strijd, staat geheel buiten kijf.
 

Wij Vishnuïsten zijn zoals wij zijn, en bij voorbaat zijn wij iedereen gunstig gezind als levend wezen en als menszijnde; wij zijn tenslotte allen producten van de levende natuur, daarom zijn levende wezens geestelijk onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

 

Begrijp, dat ik wel degelijk weet dat er een heleboel Indonesiërs en liefhebbers wereldwijd de door Indonesiërs gelanceerde sportactiviteit beoefenen, die zij ook Pencak-Silat noemen. Maar de veelheid van hun ledental stoort mij echter niet. Ik zeg alleen maar dat ze niet "Pencak-Silat" beoefenen ongeacht hun fysieke bedrevenheid en traditionele achtergrond.

 

Ook al zijn hun bewegingen nog zo vloeiend en zo fraai en zo Indonesisch als het maar zijn kan; en ook al zijn ze met z’n allen wereldkampioenen en aangesloten bij alle sportbonden ter wereld; en ook al wordt het door driekwart van de wereldbevolking beoefend; en ook al komt er een Ratu of Sultan in allerlei opdraven, die garant wil staan voor wat ze daar in Indonesië onder Pencak-Silat verstaan, feit blijft echter wel, dat wanneer “1-miljoen mensen een stommiteit begaan, het altijd een stommiteit blijft.”

 

Het voldongen feit is wel, dat ze allemaal toch niet de Pencak-Silat beoefenen zoals oorspronkelijk is ontwikkeld door de ontwikkelaars, het Vishnuh-Genootschap. Dit is gezien vanuit de vastgelegde Pencak-Silatleer en mijn professie, en gebaseerd op de geschiedschrijving van mijn voorouders over Pencak-Silat en de Indische archipel...

... Los van dat alles heb ik als Gurubesar (hoogleraar, erfopvolger en priester van het Vishnuh-Genootschap) in de afgelopen jaren eigenmachtig de vrijheid genomen om alle Pukulan sportverrichtingen te bestuderen van de zich Indo's noemende Nederlanders en Indonesiërs!

 

... Deze Indo's pretenderen, dat het versoepelde Karate wat ze feitelijk beoefenen Pencak-Silat heet wat boudweg ridicuul is. Maar dit betekent niet, dat men gerechtigd is, om de ander te intimideren om zijn mening? Ook niet, wanneer men in de meerderheid is, want niemand heeft het recht om middels achterklap en allerhande bangmakerijen de medemens in maatschappelijke zin de mond te snoeren!

Ik heb nooit iemand belaagd en mij evenmin gestoord aan de Indo Pukulan sportverrichtingen noch aan hun Pukulan klederdracht, die mij dikwijls doet denken aan de prachtig gekleurde Ara’s, die in mijn vroegere Surinaamse en Braziliaanse woonomgeving krijsend rondfladderden, maar wel zo slim waren om uit onze buurt te blijven alsof ze wisten, dat als ze in onze nabijheid zouden komen door ons zonder meer tot voedsel zouden worden ingebracht.

Voorts heb ik mij nimmer bezig gehouden met hun opstokerijen en achterbaksheden waaraan ik veel beginnende leden ben kwijtgeraakt. Mede door de achterbaksheid van gestipuleerde personen en belanghebbende instanties in Nederland en daarbuiten, beleefde ik een terugloop in ledental, desondanks liet ik deze Indo-etters toch met rust, maar andersom was dit niet het geval. Ze waren geregeld bezig met het vinden van allerlei onzin om mij helemaal te doen stoppen met mijn Pencak-Silat missie in Nederland. Waarom? Ik mag mijn verhaal toch vertellen en mijn mening ventileren waar en wanneer ik dit wil?

 

Niemand is verplicht om mijn relaas te geloven of aan te horen noch deze te volgen of lief te hebben! Ik viel en val toch niemand lastig ermee? Ik doe mijn eigen dingen en heb zelfs mijn eigen baan meegenomen naar Nederland waarmee ik de noodzakelijkste kosten van bestaan kan genereren en ervan kan leven en om mijn missie te kunnen voltooien. Meer niet! Ik kan mensen opleiden in diverse disciplines o.a. de overlevingsleren van het Vishnuh-Genootschap, de authentieke Pencak-Silat en buitendien kan de leer van Vishnuh iets voor veel mensen gaan betekenen.

 

De Pencak-Silat is niet zomaar een gevechtskunst, maar een leer die vooral erg nuttig is voor mensen die meer zoeken dan alleen maar het materiële. Ik ben Gurubesar van het Vishnuh-Genootschap in de lijn van de Ida-Bagus dynastie.

 

Mijn gedachte was en is nog steeds; “Er zijn genoeg mensen op deze wereld en er zullen ongetwijfeld een onbeduidend aantal onnadenkende mensen zijn die mij liever zien gaan dan komen, maar er zullen ook meer dan genoeg weldenkende mensen overblijven die van mij zullen gaan houden en of reeds van mij houden met al mijn tekortkomingen, waarden en normen; maar ook ik kan en wil leren van de ander, en zo leren we van elkaar in goede verstandhouding en laten elkander in elkaars normen en waarden voor zover dit mogelijk is.

Vanwege de inkomstenderving die ik in Nederland gelaten heb ondergaan, moest ik op zoek gaan naar ander soort arbeid en heb daartoe diverse schriftelijke studies moeten volgen. Ik was in diverse functies werkzaam en overal waar ik ook werkte heb ik veel overuren gedraaid voor verschillende landelijke bedrijven.

 

.. En dit heb ik allemaal gedaan om vooruit te kunnen komen in het materiële, om mijn boeken vast te leggen bij het Rijk en de nodige maatregelen  te nemen zodat ik mijn missie alsnog kon volbrengen.  Maar arbeiden voor anderen terwijl je zelf genoeg werk te verzetten hebt is dubbel op, en op den duur ging het allemaal niet meer zo goed met mij, want ik voelde mij al die tijd onderdrukt door het maatschappelijk systeem en min of meer gedwongen tot verslonzing van mijn culturele erfgoed. Ik had nauwelijks tijd meer voor mezelf over, laat staan dat ik de tijd had voor de taak waarvoor ik hier in Nederland ben gekomen.

 

... Ook de Nederlandse maatschappij is debet geweest aan onderdrukking van het Vishnuh-Genootschap en van mij in persoon, want bijna overal bij gemeentelijke instellingen die individuen hulp beloven in hun streven, heb ik nederig mijn dringend verzoek aangekaart, maar ik kreeg telkenmale nul op mijn request zonder opgave van redenen.

 

... In Nederland c.q. Europa en misschien ook in de rest van de wereld waar godsdienst het alledaagse leven van de mens beheerst, word algemeen gesteld, dat iedereen gelijke kansen heeft, maar dit is echter niet waar, omdat het merendeel van de bevolking innerlijk tot stilzwijgende discriminatie overgaat wanneer blijkt dat ze bij een bepaalde groepering of individu nimmer hun gelijk zullen krijgen noch met een vinger in de pap kunnen brokkelen, maar juist grote kans lopen op een fikse pakslaag bij gebleken wangedrag hunnerzijds. Tot hier gelaten; ik ben een krijger en ik ben niet meer alleen.

 

Voorts heb ik in het verleden leden in mijn bestuur gehad, die uit hebberigheid en egoïsme bewust verraad hebben gepleegd in mijn gelederen, die mij eerst overijverig hielpen en dan later toch maar overstag gingen, want "pecunia non olet" waardoor mijn financiële positie drastisch werd gedecimaliseerd en ik een hele lange poos stagnatie ondervond met de vastlegging van de Vishnuh-leren en van andere genootschappelijke activiteiten die eertijds aan de orde waren.

 

Gelukkigerwijs ontmoette ik behalve bedorven Indone­siërs en Indonesische-Neder­landers met haar geldzuchtig profiterend aanhang, ook gegoede Nederlanders en rechtvaardige Nederlandse ingezetenen met een nobel hart in het bezit van verant­woordelijkheidsgevoel voor hun medemens, die zich bewust en zonder winstoogmerk zich onvoorstelbaar hebben ingezet om mijn missie ten rechte te keren.

 

Als gevolg daarvan werd ik door autoritaire instanties te lande geadviseerd de "Pencak-Silat" en de bijbehorende leren van het "Vishnuh-Genootschap" te registreren, vast te leggen en te deponeren bij het Rijk. Vervol­gens kreeg ik voortvloeiend van de brief naar Hare Maje­steit de koningin der Nederlanden, van het ministerie van W.V.C. via haar ad­vies-orgaan de raad het één en ander testa­mentair vast te leggen en de naam Pencak-Silat "wettelijk" te beschermen.

 

Ik ben geen zakenman, daarom heb ik mij nimmer met de bureaucratische rompslomp ingela­ten daar ik somtijds door de bomen het bos niet meer zag. Dit ­houdt in, dat ik financiële en andere bureaucratische zaken volledig aan derden overliet in volle confiden­tie waar bij nader inziens "veel misbruik" van is gemaakt.

 

Ik vertel dit uit eigen ervaring; mensen, “ze profiteren bewust van je totdat je niets meer hebt, en dan laten ze je vallen als een baksteen.” Mensen die eenmaal dit schijnheilig gedrag vertonen zullen altijd weer in herhaling vallen. Hypocrieten wijzen graag naar de ander dat de ander het beter zou moeten weten, maar hun eigen zwartgallige hart onderzoeken is taboe, want “oh wat zijn ze toch lammetjes en wat zijn ze zielig zeg”.

 

Ik ben niet lichtgelovig ten opzichte van mijn medemensen noch naief, maar ik wilde mijn medemens vertrouwen zonder daarbij bijgedachten te koesteren, omdat ik altijd heb geleerd om "eerst het positieve te denken van de ander vooraleer het negatieve."

 

Doch helaas hebben velen de geboden kans te baat genomen om mij te bedonderen, en in de meeste gevallen hebben Indonesiërs c.q. Indonesische-Nederlanders de leren van het Vishnuh-Genootschap en mijn persoon in hun voordeel slecht gepraat. Ik heb gaandeweg mijn geestelijke wonden schoongemaakt en heb mijn missie stoïcijns voortgezet zoals een krijger tot het bittere eind betaamt te doen.

 

... Ook krijgers maken fouten en het is niet redelijk om bij een combinatie van actie en reactie een beperkte groep mensen alle schuld toe te schrijven terwijl de medeplegers degenen waren, die vrijwillig en op basis van eigen belang met alles hebben meegedaan. Daarbij hebben zij door hun hebzucht en met het geringste ongenoegen van alles met voorbedachte rade aangestuurd om iemand anders de zwarte Piet toe te spelen teneinde zelf ongemerkt en spoorloos met de poet te kunnen verdwijnen. Waar één fouten maakt zitten er meerdere aan vast, die aan dezelfde fouten schuldig zijn geweest.

 

Mensen die eenmaal verachtelijk gedrag vertonen jegens de ander zullen altijd weer in herhaling vallen, en in deze vervloekte positie eens de verkeerde mensen tegenkomen, dan zal het voor altijd gedaan zijn met hun perverse en laaghartige streken. 


"De mens is steeds weer geneigd eerst het kwade te denken van de ander alvorens het goede", deze levensspreuk is volkomen toe­passelijk in moderne en zogeheten geciviliseerde samenle­vingen zoals Neder­land, waar de waarde van haar onderdanen slechts op haar materiële prestaties worden beoordeeld en ge­toetst door de op sensatie beluste massa conform de stelling, "vandaag wordt men goedge­keurd en morgen weer afge­keurd", doch zo is een religieuze of materialistische maatschappij nu een­maal. Kortom: "Wie geld heeft is goed en bij wie dit ontbreekt is slecht." Dit is helaas de norm die wereldwijd in de huidige maatschappij gehanteerd word.

 

... Doch behoedt u zich ervoor door de hiervoorgenoemde vorm van epigonisme niet na te streven. Dat is mogelijk door jezelf te blijven en uw eigenwaarde te behouden, en de waarde van het leven is jezelf zijn, en van mijn leermeesters heb ik geleerd om "eerst het goede te denken van de ander vooraleer het slechte", maar als het euvel zich onvermijdelijk aan je manifesteert, handel dan volgens de richtlijnen van "Vishnuh": "Goed inzicht verschaft gunst, en door gerechtigheid te zaaien heb je steeds blijvend gewin."

 

Ten gevolge van Vishnuh's richtlijnen heeft mijn rede mij tot nog toe slechts rente opgebracht, want uiteindelijk zijn de dubbeltongige Indonesiërs zelf­­ in hun eigen voorgegra­ven kuil terechtgeko­men in casu gevallen.

 

Mijn conclusie voor wat betreft de groepen, die pretenderen de "Pencak-Silat" te beoefenen luidt als volgt; hetgeen men in deze samenleving en daarbuiten onder "Pencak-Silat" begrijpt en verstaat is gebaseerd op vage beelden uit het ko­loniaal verleden zonder enige feitelijke gegevens, maar op de weg van egotripperij, waarop dit soort maatschappijen normaliter ge­grond­vest is, verdwaald geraakt in een wirwar van utopie en het schijn-weten en dit in het gezelschap van hebzucht, eer­zucht, nijd en hoogmoed; de vier vijanden van de gemoeds­rust. En het enige waarop de groepages in kwestie zich telkenmale op be­roepen is dat zij van Indische bloede zijn en derhalve het recht hebben om de naam "Pencak-Silat"te voeren.

 

Concreet be­tekent de Indonesische interpretatie omtrent dit onderwerp (Pencak-Silat) voor mij; dat zij alleen maar de klok hebben horen luiden zonder enige weet te hebben waar de klepel eigenlijk hangt.

 

... Dus iedereen, zonder aanzien des persoons, die beweert  Pencak-Silat te beoefenen maar als het erop aankomt het heeft over wedstrijden in de zin van de sport, die houdt zijn eigen grootmoeder voor de gek. Het versoepelde Karate wat door Indonesiërs en Indo's feitelijk word beoefend kan in de verste verte niet vergeleken worden met de Pencak-Silat; of het is Pukulan" of van Karate en van andere vechtsporten afgeleide technieken waar zij voor het gemak de naam Pencak-Silat aan hebben verbonden.

 

 

Mijn conclusie is:

 

"Mijn eerwaarde leermeesters (= mijn familie­clan) hadden inder­tijd in Suriname volkomen gelijk door te zeg­gen, dat "het er gewoon een zeer zielige bedoe­ning is". Gedu­rende mijn verblijf alhier snapte ik allengs waarom de belanghebbende Indo's mij pertinent ontkenden, zij beschouwden mij in deze als een groot gevaar voor hun eigen broodwinning, alsook dreigde hun pencak-imperi­um in te storten die zij waarschijnlijk moeizaam hadden opgebouwd.

 

... Daarnaast lag het voor de hand dat men in algemene lijn door zou krijgen dat al hetgeen in de loop der jaren door hen over de "Pencak-Silat" werd opgedist aan het Hollandse publiek ­­op zekere dag op losse schroeven zou komen te staan. En som­migen die in de loop der tijd hun ego via de naam "Pencak-Silat" opge­vij­zeld hebben en daarvoor af en toe een leugentje lan­ceerden om eigen bestwil, maakten hebberig misbruik van de Europese drang van nieuwsgie­righeid middels hun Europese zoektocht naar mystiek en de eventueel verbor­gen krachten van het universum.

In der beginne deed het mij erg veel genoegen dat de naam "Pencak-Silat" zodoende toch bekend is gemaakt en ik was zin­nens om de Indo's "daarom" in hun eigen waarde te laten, want ik zag in één oogopslag dat in deze maatschappij ook genoeg ruimte voor mij (= het Vishnuh-Genootschap) over was.


Ik redeneerde toen als volgt:

"Als deze­ Pukulan-sporters met hun vertekent beeld omtrent de Pencak-Silat in deze maatschappij kunnen overleven, dan kan ik het helemaal­, immers, er zijn genoeg mensen, die meer willen weten dan hun neus lang is waarvan velen ontvankelijk zijn voor het authentie­ke of openstaan voor de origine van het ontstaan van iets.

 

... Ik ben naar Europa gekomen om mijn voorouderlijke boeken te conserveren middels vastlegging en publicatie en om onderwijs te geven in de leren van het Vishnuh-Genootschap. Ik heb mijn doelen te realiseren en niet om een wedstrijd tegen iemand te houden noch tegen mensen te vechten of middels gebruikmaking van geweld te overtuigen van mijn gelijk, want wij zijn niet godsdienstig. Ik laat ze wat dat betreft maar begaan, daar al hetgeen de Indo's propageren en uitvoeren als hun vechtsport niet in onze boeken staan en zijn zij derhalve niet onze / mijn concurrent.

 

 

DE GROTE TOVENAAR!


Helaas heb ik moeten con­sta­teren, dat voor­noemde groepages de leer hunner eigen voor­vade­ren in de vorm van "Vishnuh" het licht in de ogen niet gunden en wie weet bij tijd en wijle nog doorgaan met opsto­ken van leken en rond­bazuinen van negatieve praatjes jegens de Authentieke Pencak-Silat, jegens het Vishnuh-Genootschap en aangaande mij in persoon."

 

... Al de door de "Indone­si­sche Bersilat-aanhang" geuite negatieve borrelpraatjes, vertegenwoordigen tezamen het kenmerk van onderdrukte toe­kenning. Zij noemden mij "tovenaar", was dat maar waar dan zou alles mij erg gemakkelijk afgegaan zijn. Ik zou dan mijn kwelgeesten subiet naar de planeet Mars toveren en nimmer last hebben gehad van de intriges van kwaadwillenden die zichzelf op een hogere voetstuk hebben geplaatst in deze religieuze maatschappij.

 

... Ik zou evenzeer alle kwaadaardige personen en instanties, die het gif dat godsgeloof heet en de voortzetting van dit venijn verspreidt over medemensen, wegtoveren van moeder aarde naar een zeer verre planeet zodat zij geen onschuldige mensen meer kunnen besmetten. Dit zou dan ook betekenen, weg met alle godsdienstoorlogen, weg met alle kerken, de haarden van het religieuze gif, en allemaal voor een rustige aarde, maar ook opdat mensen zoals ik, die op grond van andermans belang reeds geestelijk zijn onderdrukt door medestanders van kerken en religies, gewroken worden zodat het leed van de onderdrukte mensen wordt verzacht opdat ze verder in vrede kunnen leven met alle mensen op deze aardse natuur.

 

Het heeft toch geen enkele zin noch reden om iets dat geheel vast­staat te ver­bloe­men met de woorden: "de Gurubesar is een tovenaar van de Vishnuh-sekte en beschikt over ontembare satanische krachten". Dit is een typisch religieuze uitspraak, die in de afgelopen tijd werd uitgesproken door kwaadaardige religieuze Indofiguren en hun sympathisanten teneinde de massa alleen voor zich te winnen, en geniepige mensen zijn meestal boosaardig van aard.


Daarom raad ik een ieder aan: “Gedraag u waardig en nimmer op "prietpraat" ingaan van mensen die feitelijk geen flauw benul hebben met wat ze zeggen, want bedenk dat het zeer vermoeiend is te argumenteren of bekvech­ten met mensen die niet weten waar ze het over hebben. Als de Indonesiërs c.q. Indonesische-Nederlanders niet eens de notie hebben wat een definitie is, dan heeft het ook geen zin om te wenen daar waar tranen verboden zijn”.

En zo ziet en er­vaart u dat; "als mensen de dingen niet meer kunnen veran­de­ren, dan veranderen ze de woorden." Naar aanleiding hiervan is de tweede generatie van spijt-op-tanten, welke uit verschillende gebieden van de Indische archi­pel afkomstig waren vastgeroest in hun eigen denken en ideeën, naar mijner inziens veroorzaakt door het .. onlogische haat sentiment dat hen door hun ouwelui (dus "de 1ste generatie") tijdens de opvoeding is bijge­bracht.

M.a.w., ouder­dom wil zeker niet zeggen dat het altijd van wijsheid getuigt en-of van gezond verstand. In deze mo­dieuze era is de 2de generatie hoogwaar­schijnlijk achter de evidente koloniale feiten gekomen welke hun ouders altijd voor hen zo angstvallig latent hadden gehouden, vandaar hun gefrustreerde houding ten opzich­te van de maatschappij om zich heen.

 

... In de afgelopen 32 jaar heb ik veel belas­tende getui­genis­sen tegen de onderhavige groeperingen te lande weshalve ik a-priori niet meer met ze aan een tafel wil zitten, doch ik laat alles zoals het nu is en zal bij deze eenmalig al hunner snoodaardige en luidklinkende roddels tezamen binden tot ac­coorden, zodat zij ophouden met zichzelf te schande maken mid­dels hun houding van voortdurende egoïsme, afwijzing en loochening van waarden en motieven en zich voortaan alleen bij hun leest houden.


Ik had al een vermoeden, dat de daders in samenwerking met de Indonesische Ambassade mijn verrichtingen en vorderingen voortdurend gadesloegen. Een van de passanten in de Garuda tijd woonde in Groningen (zie de kontolgroep) die nauwe banden onderhield met medewerkers van de Indonesische ambassade, die ook toendertijd mijn trainingen geregeld heeft gadegeslagen en die ik verantwoordelijk acht van roddel en smaad in het Noorden des lands.

 

Voor alle duidelijkheid wil ik met nadruk stellen, dat ik echter niet naar Nederland ben gekomen om gelooft te worden, omdat ik mij alszodanig nog nooit daarmee bezig heb gehouden, dan alleen betreffende het bekommeren omtrent en het beveiligen van de leren van het "Vishnuh-Genootschap" en vervolgens wil ik slechts mijn missie volbren­gen en verder in vrede leven met iedereen.

De naam "Pencak-Silat" evenals de leren van deze is nu geoc­trooieerd en ik hoop van harte dat het Hollandse volk deze 2de eeuwse naam met de daarbij behorende achtergronden met de nodi­ge eerbied zal blijven koesteren, en vergeet nooit dat hetgeen in vroegere tijden op de Indische archipel is voorgeval­len ook de Hollandse voorouders betreft, aldus ook de huidige Neer­landse generatie min of meer aangaat.

 

De leer van "Vishnuh" zegt: "De aarde met haar natuur behoren ons niet toe, maar wij levenden wezens behoren toe aan de natuur. Wij zijn waarlijk allen aardbewoners, want het maakt niets uit, uit welke hoek wij komen. Aardbewoners zijn wij en aardbewoners zullen wij blijven."

 

Ik ben in principe ervoor opgeleid om het op te nemen voor elke onderdrukte bevolkingsgroep dan ook op deze aard­bol. Ie­mand moet ze toch beschermen, verdedi­gen en rehabili­teren, en als een confrontatie van welker aard dan ook onver­mijdelijk is, zal ik met graagte hun eigenwaarde met mijn leven verdedigen; ten­slotte waren zij de pioniers waar men trots op behoort te zijn en waarvoor men groot ontzag dient te hebben.

 

... Hierbij benadruk ik met klem, dat ik een erfgerechtigde volge­ling ben van "het Vishnuh-Genootschap" en geen adept van de één of andere maat­schappij, kerk of rege­ringsvorm. De ontberingen alsmede de so­ciale vernederingen waartegen ik aanvankelijk te lande moest opboksen zal ik nimmer vergeten.

Mijn eerwaarde leermeester M.G. van Praag rekende innig op mijn volharding welke ik, zowaar ik nog leef, niet zal beschamen, mede uit dank voor de toewijding die hij heeft betracht in zijn taallessen aan mij binnen het Vishnuh-Genootschap, en van dezelfde man zal worden gehouden als hij dood is.

 

... Verder kan niemand mij verbieden mijn oorspronkelijke Nederlandse niet-religieuze leermeester wijlen Gerard van Praag te blijven eren, die zijn leven in het Vishnuh-Genootschap heeft voleindigd als een volwaardig lid, hij was een blanke Javaan met een Nederlandse achtergrond.

 

... De ene Nederlander is de andere niet. De weledelgeboren heer, Gerard van Den Haag (inmiddels wijlen), vertelde mij hangende mijn studie in het Vishnuh-Genootschap over een Holland die hij nog kende en alszodanig verliet, maar door zijn lange verblijf binnen de Vishnuh orde kon hij allicht niet ver­moeden, dat het leefklimaat alsmede het gemoe­delijke van zijn landge­noten met de maalstroom van de vooruit­gang drastisch zou muteren in eigengereidheid.

 

... Desondanks respecteer ik het natuurlijk gegeven in zijn theorie, dat het pad der gerechtigheid leven is en vrede­lie­vendheid mijn knecht. Deze vredestheorie van Wijlen M.G. van Praag is in antithese tot de con­serva­tieve leer­stelling van het Vishnuh-Genootschap, dat "als er wordt gespro­ken over de vijand, moet je koken van furie en rancune en als je tegen­over hen staat moet je kouder zijn dan ijs, harder zijn dan graniet en staal, sluwer dan de sluwste vos en tenslotte meedogenlozer dan de moerasadder."

En deze twee hiervoorgaande theorieën hanteer ik naar gelang van de omstan­digheden. M.a.w.; "Alwie Vrede wil die zal het ook krijgen, maar alwie oorlog wil zal dit ook bekomen. Kortom; "Het enig­e waar ik bang voor ben is als de Hemel op mijn hoofd valt", en de "Hemel" zal nimmer op mijn hoofd kunnen vallen, aangezien deze alleen bestaat in de fantasie van de godsdienstige mensheid.

 

... Ik heb vanaf het begin van mijn missie de waardigheid van het Vishnuh-Genootschap doen blijken door mijn posi­tieve houding ten opzichte van de medemens in het algemeen te verwoorden, en mijn slag­ en daadkracht had ik ingetoomd vanwege onze stelling "eerst het goede denken van een ander alvorens het kwade", maar nu is de maat vol! Hier­bij wil ik met klem zeggen, dat ik ook maar een levend wezen ben, gelijk u allen en net zo nietig als elk ander levend wezen die wil overleven op deze, ook door de mens, bewoonde planeet.

Dit is mijn globale levensbeschrijving tot thans evenals mijn visie en bevindingen welke ik bij deze heb geresumeerd inzake de verwik­kelingen in- en rondom mijn missie alhier te lande. Dit is mijn levensverhaal zoals die is en was, maar wat kwaadwillige mensen in de loop der tijd van hebben gemaakt moeten zij maar zelf verantwoor­den.

 

... Voor de goede orde van menselijk fatsoen is het zo, dat wie iets wil weten van iemand deze zelf aan de persoon dient te vragen in plaats van zich tot de overburen te wenden om informatie te winnen over zijn naaste buren zoals het in de Nederlandse (lees ook Europese) cultuur gebruikelijk is volgens het Bijbelse doorgeefluik principe. Dit komt omdat naar het schijnt een belangrijk deel van de Westerse mensheid geen eigen mening heeft en hierdoor zich gemakkelijk laat leiden uit gemakzucht of door hun ingewortelde misantropische instelling, welke de kenmerkende levenshouding  omvat van mensen die door het wantrouwen van medemensen een pessimistische visie heeft op de samenleving.

De inhoud van deze brief omschrijft mijn persoonlijke woorden en hoofdzakelijk bedoeld voor alle dwarsliggers, die ik in de afgelopen jaren op mijn weg tegenkwam. Deze brief bevat wat mij betreft geen enkel spoor van affront of haat en ik verwacht dat men dit geheel intern- als extern ter harte neemt en mijn bood­schap zonder verdoezelingen aan de massa overbrengt.

 

De authentieke Pencak-Silatleren van het Vishnuh-Genootschap zijn openbaar voor serieuze aardbewoners, aldus toegankelijk voor iedere belangstellende. Wie echt Pencak-Silat wil beoefenen of de leer van Vishnuh wenst aan te hangen zal vanzelf de weg naar ons weten te vinden.

Ik ben niet naar Nederland (Europa) gekomen om een koninkrijk te stichten noch om een religie te prediken, maar om de naam Pencak-Silat, die door mijn voor­ouders anno 185 op de Indische archipel werd gegeven aan de door henzelf van dieren­technieken ontwikkelde gevechts­leer in ere te herstel­len, om mij te ves­tigen en om het ver­haal van mijn fami­lieclan (= het Vishnuh-Genootschap) verder te vertellen aan de massa. Meer niet.


Ik ben dus niet hier in Europa om een nieuwe Godsgeloof te brengen, want "geloof", "gelovig zijn" en "geloven" leiden slechts tot verspilling van krachten en ver­kwanseling van kost­bare tijd en ener­gie.

 

Ik heb de leren van Vishnuh gedeponeerd en voor de toekomst vastgelegd, zodat het voor de wereld duidelijk is wat "Pencak-Silat" werkelijk is en inhoudt. Het leven is veels te kort om ruzie te maken over "wie wel" en "wie niet" gelijk heeft. In ieder geval doen wij (het Vishnuh-Genootschap) niet datgene wat de Indo-groeperingen / Indonesiërs onder Pencak-Silat verstaan waarin ze wedstrijden bedrijven in de zin van de sport.

 

Maar laat ik desalniettemin positief blijven en mijn struikelen la­ten vervagen met behulp van de lijfspreuk van mijn voor- en grootouders in mijn ach­terhoofd;-

"Het is voor ons al een hele eer, de leren van "Vishnuh" in bezit te mogen hebben en deze zorgvuldig mogen be­waren teneinde dit geheel op een goede dag te continueren. Ie­der levend wezen dat ons hierbij, welbewust of onbewust, ter­zijde staat of ondersteund, hetzij in gedachten of anders­zins, is vanaf dat moment en voorts in-spé een gezegend wezen met goede wil en een beschermeling van "Vishnuh".

De lezer wordt bij deze bedankt voor het doornemen van dit schrijven en voor de aan­dacht die hieraan vastzit.


Met de meeste hoogachting,

Gurubesar: Lancar Ida-Bagus <> R.R.Purperhart,


P.S.

Hopelijk is deze brief voor ieder leesbaar en begrijpbaar, maar als men vindt dat het beter en duidelijker kan, kom dan met uw idee en help mij deze brief nog duidelijker te maken voor iedereen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gurubesar / Abt van 1979 tot .….

 

 

EINDE

 

 

gallery/vishnuh 0877
gallery/mass_boventekst-aa
gallery/weg
gallery/natuur 2
gallery/diploma
gallery/mass_boventekst-aa