Niet-religieus genootschap
Donations

Donaties

 

Wilt u aan ons Doneren? Dat kan.

 

Uw donatie of toegift kunt u storten op onderstaand rekeningnummer:

 

TRIODOSBANK

NL67 TRIO 0212177893

BIC: TRIONL2U

 

o.v.v. donatie Visnuh-Genootschap t.n.v. R.R. Purperhart Den Helder Nederland.

KvK: 56636814

 

 

 
 
 

 

 

Would you donate to us? that is possible.

 

You can deposit your donation or gift on the following bankaccount number in the name of R.R.Purperhart Den Helder;

 

TRIODOSBANK

NL67 TRIO 0212177893

 

citting donation Vishnuh-Society Den Helder The Netherlands

KvK: 56636814

Ter bescherming van de originele uitgave zijn alle op deze site geplaatste
boeken van het Vishnuh-Genootschap gecodeerd weergegeven en ingekort 


 

 


wat betekend pendekar?

WiE  iS  pEnDeKaR ?

WIE was EEN PENDEKAR ?



Het begrip Pendekar ontstond in de 10de eeuw, en
iemand die tegen moedwillig geweld bescherming bood, werd door het
Vishnuh-Genootschap Pendekar ge­noemd. Deze voorvechters werden in het
oerwoud vertrouwd gemaakt in het doden. In de regel is een Pendekar een
soldaat (krijger) die de inhoudelijke praktische kennis bezit tot op
een zekere hoogte van geestelijk en lichamelijk bewustzijn. Volgens de fysieke
levensbeschouwing zijn aan dezen speciale plichten opgelegd. Aan deze plichten
konden zij zich niet van onttrekken.

 

… Het is onder andere de plicht van een
Pendekar de burger tegen allerlei kwaad te behoeden en daarom moet deze in
voorkomende gevallen, terwille van het morele recht geweld gebruiken. Maar
als hij afziet van de strijd, dan verwaarloosd hij niet alleen zijn aparte
plicht als Pendekar, maar verliest ook naast zijn roem en reputatie, de
geestelijke kracht.

 

… Pendekars leerden enkel datgene wat in
hun situatie en omgeving nodig werd geacht. Voorts moesten zij hiervoor gesti­puleerde
codes volgen die vergelijkbaar zijn met de leef- en gedragscodes van Europese
ridders hangende de vroegere ge­schiedenis. Daarnaast
mochten Pendekars geen veranderingen brengen in het aangeleerde, daar
zij slec­hts elementen leerden welke zijn afgeleid uit de tien(10) stijlen.
Pendekars kregen niet de gehele leer van een stijl  aangeleerd, doch
slechts fragmenten. Der­hal­ve is het weerleggen van de technieken niet de
hunne omdat zij daartoe de auto­riteit niet bezitten.

 

… Het doorgeven van het ge­leerde mocht
wel alleen in familieband geschieden (zij het beperkt.) Daarnaast is
de gehele leer van Vishnuh in de lontartaal opge­steld, een variant afgeleid
uit het Sanskriet, en welke al sedert het begin volgens traditie uitsluitend
werd gedoceerd aan kwekelin­gen van de eigen orde; aan Penditoh’s en  Gurube­sar’s
in de lijn van de afstammelingen van het Vishnuh-Genootschap.


Dit was ter voorko­ming, opdat een kwaadwillende
en niet-ingewijde inzage kreeg in de Silat leerstof. De Pencak-Silat
leerstoffen kunnen in verkeerde handen tot desastreuze gevolgen leiden, vooral
wanneer deze gericht worden voor persoonlijk belang. De Pen­cak-Silat leer
omvat niet alleen fysieke ge­vechtshan­de­lingen, maar omschrijft ook gedetail­leerd
de geeste­lijke hande­lingen, de bijbehorende verkla­ringen (Silat) evenals
de gebruiks­principes van deze.

 

 

Wat betekent PENDEKAR en wat houdt dit
precies in?

 

De uitdrukking Pendekar is van Javaanse
oorsprong en is afge­leid van het sanskriet “pendek, cendek, cendiek,
cedek (cedak), die allemaal in diverse zinsverbanden kort, niet ver of
klein betekent. Dit begrip geeft aan dat men iets beperkt heeft geleerd. En
“Ar” staat voor kennis (weten en begrijpen), welke is afgeleid
uit het Sanskriet woord “aryani “, dit bet.: “Iemand die de
essentiële waarde des levens kent en wiens cultuur gebaseerd is op geestelijke
realisatie. Het begrip “Ar” om­schrijft aldus het feit dat Pendekars
ook een beetje geeste­lijke kennis kregen aangeleerd.

Pendekar betekend letterlijk -korte kennis (beperkte wetenschap)-, deze
bestond nu nog uit de leer der bovennatuurlijke, de Anima-Siddhi, de
Kamavasayit­tha-Siddhi, de Picasa-Siddhi en tenslotte de “Ngelmoe kelakoe­an
babaran lan Tiyang” (leer van de gedragingen van mens en dier in
penibele omstandigheden).

 

 

DE ENKELE DOOR PENDEKARS
AANGELEERDE GEVECHTSASPECTEN 
VAN DE PENCAK-SILAT

 

De twee geestelijke gevechtsprincipes die
aan pendekars werden aangeleerd zijn verwerkt in de “ANIMA-SIDDHI en de
KAMAVASAY­ITTHA-SIDDHI. Deze kennis is erop gericht de eigen veiligheid te
waarborgen in een eventuele overmacht, en de principes in deze situatie toe te
passen zodat men de vijand altijd de baas blijft zonder het plegen van fysieke
handelingen. Nadat het genootschap besloot de gehele leer aan banden te leggen
werden de Pencak-Silat gevechtstechnieken / geestelijke
gevechtsprincipes automatisch ontoegankelijk voor buitenstaanders.

Het ging vroeger niet zo gemakkelijk voor de kersverse vech­ters van het
onrecht, want tot toetreding kon pas worden besloten nadat de gegadigde
volledig (geestelijk en lichame­lijk) had aangetoond de
hiernavolgende eisen glansrijk te hebben doorstaan.

 

 

De eisen waren de volgende;

 

1. De leerling pendekar is op de dag van intreding in de leer minimaal
dertig(30) jaar en maximaal 60 jaar oud.

2. De leerling pendekar dient rechtstreeks onder vishnuh te staan, met
inachtneming van de door de Gurubesar opge­legde leefregels en krijgscodes
welke strikt volgens de adat dient te worden nageleefd.

3. Een pendekar is hij, die helemaal heeft voldaan aan de voorgeschreven kennis
van een deel uit de leer der geestes­ we­tenschappen.

4. Een pendekar is hij, die door een goeroebesar c.q. ingewij­de leden van het
Vishnuh-Genootschap, is goed bevonden.

5. Een pendekar is hij wie niemand in moeilijkheden brengt, zich niet door
angst laat verontrusten en evenwichtig is in verdriet en geluk.


De titel pendekar kan uitsluitend en alleen door de
abt/gurubesar van het genoot­schap aan het lid worden toegekend of toegewe­zen
in gezelschap van de hieropvolgende erkenning handelingen;-


6. Het familiewapen van het genootschap dient in alle
gevallen te worden geta­toeëerd op een verborgen plek op het lichaam van de
begun­stig­de.

 


Volgens de geestelijke code was een Pendekar gehouden
de uit de tien stijlen afgeleide gevechtsfragmenten, hetwelk hij heeft
aangeleerd tot heil voor iedereen, slechts aan familie­ door te geven. En
indien deze geen familie had diende hij de aange­leerde Pencak-Silat
leerstoffen geheim te houden en als de tijd daar is gewoon ermee het graf
ingaan. Wel mocht hij degene die kennis heeft mogen maken met de leer en alszo­danig
beheerst, de titel geven van Umat (volgeling / leer­ling) en niet
Pendekar, omdat hij daartoe niet competent is, daarvoor is immers meer
kennis vereist dan welke hij voor zijn opleiding mee­kreeg.  Wel kan de
pendekar de umat deel laten nemen aan zijn activiteiten en deze de mogelijkheid
bieden om op te treden als assistent. Zo was het ook met het begrip Pende­kar
gesteld. Tegenwoordig kan er alleen sprake zijn van Umats of Pu­tuh’s.

De titel Pendekar werd volgens de kronieken van Vishnuh gescha­pen om de baat
van de Picasa-leer aan het gewone volk tot uitdrukking te brengen. Omdat het
overgrote deel van de onder het volk aangeworven Pendekars analfabe­ten waren,
was een vijfjarige mondelinge en praktische scholing een must. Voor de aanvang
van deze leerpe­riode werd de eis opgelegd dat men zich tot de laatste adem­tocht
aan de regels van het Vishnuh-Genootschap diende te houden.

 

… Dat deze leer toen al geen
gemakkelijke opgave was blijkt wel uit het feit dat het verzaken van het
opgelegde leefpatroon voor de over­treder een gewisse dood betekende.


Noot van de Gurubesar: Lancar Ida-Bagus

“Degenen die zichzelf in deze huidige tijd Pendekar noemen doen er beter
aan niet langer de essentie van deze naam te schandvlekken, daar deze naam een
heilige piëteit inhoudt voor hen die van de 10de tot de 18de eeuw de titel
Pendekar eervol mocht dragen. En als men niet begrijpt wat respect wezenlijk
wil zeggen, zal men een ander ook geen eerbied kunnen betonen. Daarom is het zo
dat iedere Indone­siër die beweerd Pende­kar te zijn of wiens grootvader zoge­naamd
Pende­kar was, een heilig­schen­ner.


Volgens de kronieken van het Vishnuh-Genootschap
werden als uitzondering de laatste Pendekars opgeleid in 1787 tot 1793 in de
wouden van Borneo, Celebes en Sumatra onder leiding van Guru­besar Ida-Katut
Alit Ring-A­ting. Daarom kunnen op dit moment geen pende­kars meer
zijn (maar indien dit wel het geval is, dan moet het iemand zijn van meer
dan 200 jaar oud), daar de leer fragmen­tarisch voor het laatst in 1793 is ge­bruikt
waarna het defi­nitief aan banden werd ge­legd. Hiertoe werd door de
Vishnuh-aanhang beslo­ten doordat sommige dezer pendekars zich met de politiek
inlieten en alleen op uit waren tot persoonlijk winstbejag en zich net zo
gingen gedra­gen als de Javaanse notabelen zelf. Zo overtraden zij arti­kel 3
en artikel 8 van de algemene gedrags­regels van Vishnuh.

 

 

ALGEMENE GEDRAGSREGELS VAN VISHNUH

 

1.-Tijdens de training behoort men zich
ordentelijk te gedra­gen.

2.-Men dient aanstonds, zonder stribbeling en zonder enige vorm van protest een
oefening hetwelk berust op een op­dracht uit te voeren.

3.-Het geleerde niet aan derden prijsgeven, mits hiervoor uitdrukkelijk fiat
van de Panditoh/Gurubesar is verkre­gen.

4.-Men dient te allen tijde beleeft maar toch op zijn hoede te blijven.

5.-Eerbiedig een ieder, wil men ook door een ieder eerbiedigt worden.

6.-Vredelievendheid en humanisme nastreven.

7.-Wees trouw, eerlijk en oprecht jegens Vishnuh.

8.-Men zal niet provoceren en geen tweedracht uitlokken.

9.-Indien men u sart of tart teneinde u tot een onvermijdelij­ke clinch te
dwingen, dient u zich te gedragen zoals reeds omschreven staat, doch als blijkt
dat het distantiërend geheel geen baat heeft, dan pas dient men zich uit
zelfver­de­diging de vechtkunst toe te passen, te benutten en te mani­fes­teren.

10.-Gehoorzaam en respecteer het Vishnuh-Genootschap, precies zoals zij u
hartgrondig respecteert.


Overtreding van één dezer door het genootschap
opgestelde leefre­gels, werden van oudsher zonder aanzien des persoons
toegepast. De strafwetten die hierop aansluiten varieerden van schorsing tot
een bepaalde tijd of voor een onbepaalde tijd tot volledige degradatie van de
overtreder welke altijd werd bepaald naar de ernst van de overtreding. Deze
gedragsregels en bepalingen werden geschapen om de baat van de Pencak-Silat aan
de beoefenaren tot uitdruk­king te brengen. Ver­volgens wordt de serieuze
aard en de essentie van het ge­heel daardoor nog eens sterk benadrukt. Iedere
toekomstige Vishnuh-aanhanger dient zich daarom meer­maals te bezinnen, vanwege
de serieuze aard inzake het aanhan­gen van deze leer, vooral­eer hij tot een
definitieve besluit­vorming overgaat.

Zolang er op aarde mensen geboren worden zal er altijd alom jaloezie en nijd
heersen; zolang er levende wezens bestaan zullen zij die la­biel zijn van aard
voortdurend gevaar voor de evennaaste opleveren; zolang er mensen op aarde
leven zullen, ellende, gewelddadig­heid, verraderlijkheid en arglis­tigheid,
onbetrouw­baarheid de variabele onderdelen blijven van de menselijke natuur.

Ellende ontstond in vroegere tijden meestal door verraad, jaloezie,
onvrede, hebzucht en onte­vredenheid. Zo kende het genootschap in de loop van
haar bestaans­ge­schiede­nis volge­lin­gen, die de leer van dit genoot­schap
ten eigen bate misbruik­ten. Het waren deze enkelin­gen die toenmalige vechtgra­ge
vor­sten­dommen, volkslei­ders en konings­gezinden gewetenloos bij­stonden met
het massa­creren en onderdrukken van haar eigen onderdanen. Tevens ondersteun­den
zij het schrikbewind in hun acties tot een legio gewelddadi­ge
inlijvingsoorlogen tegen buur­staten waar­door hele genera­ties op beest­achtige
manier schuldloos werden afge­slacht of op af­grijselijke wijze werden uitge­moord
en gefi­leerd. 

 


De leer van Vishnuh zegt:

 

“De Natuur heeft ons aller geschapen
maar de mens heeft heb­zucht en meedogen­loosheid ge­scha­pen.”

 


Door genoemde misbruik van de Pencak-Silat
gevechtsleer en het wange­drag tevens wanprestatie tegen de inheemse mensheid,
be­sloot het genootschap sedert de 14de eeuw geen derden meer tot Pendekar in
te wijden. Het algemeen dienend belang  kwam in het geding waardoor het
genoot­schap tot algemene geheimhou­ding overging.

Toch heeft het genootschap in de 17de eeuw een laatste uitzondering gemaakt
voor het algemeen welzijn. Jammer genoeg hebben mogelijke nazaten van deze
pendekars de adatregel geschonden en de naam
pencak-silat gaan gebruiken voor zelf-ontwikkelde systemen.

 

 

De leer van Vishnuh zegt daarover het
volgende:

 

… “Omgang met mensen brengt
altijd een groot risico met zich mee. Indien men uit huma­nisti­sche
over­wegingen de hulpbehoevende mens een vinger toesteekt omdat deze dringend
hulp nodig heeft, loopt men vaak de kans, dat men zijn aardsvijand in huis
haalt.

 

… Dus in plaats van tevredenheid en
dankbaarheid te oogsten is ellende het deel der hulpvaardigen. En aleer men het
echt goed en wel door heeft blijkt dat de armlastige het leven van zijn redder
in nood vanaf de aanvang al en met voorbedachte rade zich heeft toege­ëigend of
ver­woest.”

 

 

Meest­al gebeurt dit bovenstaande uit
wraak voor wat de ene mens de andere heeft aange­daan. Zo werd eens het
genoot­schap geconfronteerd met stammen en volgelingen die er precies zo over
dachten en toen ondank betrachtten.

 

 

Het genoot­schap rede­neerde toen daarover
als volgt:

 

-­ Deze gedachtegang van ondankbaarheid is
hoogst on­recht­vaardig, nie­mand heeft het recht te generalise­ren uit hoofde
van zijn persoon­lijke on­prettige ervaringen uit het verle­den met derden. Het­geen
u door uw eeuwige vijand waar­schijnlijk is aange­daan is niet onze schuld,
daarom zullen wij nu uit eigen veilig­heids­overwegin­gen u allen doen ver­scheiden,
daar wij naar aanlei­ding van deze openbaring het volste recht daartoe heb­ben.
Hopelijk zullen aankomelingen van omliggende stammen hier­aan een
voorbeeld nemen zodat het tot ze doordringt welks een straf hen wacht: -zij die
“ondank” be­trach­ten welke getuigt van een onherstelbare mate van be­krom­penheid.
Het moet niet zo zijn dat de onschuldige mens moet boeten voor wat de ene mens
de ander heeft aangedaan.”

 

 

Voor wie zich voor deze leer geheel open­stelt
kunnen er diverse dimensies voor deze opengaan waar­bij de gele­genheid
aanwezig zal zijn om daar ook daadwerkelijk deel van uit te maken, maar alwie
de leer volgens eigen idee inter­pre­teert en het gaarne ziet naar eigen
believen, dien zal alle onheil over­komen. Laat aan het Vishnuh-Genootschap wat
van het Vishnuh-Genootschap is.


Een pendekar die aan zijn laatste levensjaren toe was
diende zijn kennis over te dragen aan een nauwe familielid, indien hij dit niet
had diende hij zijn geheim het graf in te nemen. Daarnaast diende de overdracht
te geschieden volgens de voor­geschreven regels van het volgelingschap met
inachtneming van de hiernavolgende instructies ; –

1. Het aangeleerde mag de naam Pencak-Silat niet dragen daar het niet compleet
is.

2. De autoriteit voor het weerleggen der techniek niet de hunne is, want de
leren behoren toe aan Vishnuh.

3. Het is een gevechtskunst bedoeld om te overleven.

4. Hiermee mag geen andere activiteiten worden verricht dan alleen die, welke
voor het primaire doel is gemaakt, en alleen daarvoor moet worden aangewend en
dat is in een reëel gevecht om te overleven.

5. De pendekar mag slechts gevechtshandelingen doorgeven en vooral geen
geestelijke leerprincipes, want dit is een taak welke alleen kan worden gedoceerd
door de ingewijden van het genootschap, Gurubesars en in-leden van Vishnuh.

6. Het aangeleerde moet ten allen tijde worden gerespecteerd en mag onder geen
enkele voorwaarde afwijken van de stof, deze kunst heeft ons reeds tijdens de
ontwikkeling van haar ge­vechtstechnieken veel voorouder­lijk bloed doen
vloeien.

7. Laat aan Vishnuh wat van Vishnuh is.

8. Het familielid dat de aangeleerde slag- en
traptechnieken (Poekoelan) dan beheerst mag zich geen pendekar
noemen, de naam die deze wel toekomt is Putuh/Poetoeh (kleinkind,
bescherme­ling van Vishnuh).

9. De titel pendekar mag alleen worden toegekend door een priester van Vishnuh,
mits de gegadigde de voorgeschreven leer der geesteswetenschappen intern als
extern beheerst.

In de geest van die tijd toen aldaar in de Indische archipel verschei­dene
koninkrijken bloeide, bekleedden sommige pende­kars de functie als legerbe­velhebber
welke uitsluitend ge­schiedde met toestemming van het genootschap, die de
gevechts­leer uitslui­tend vrijgaf ten bate van de eigen zelfverdedi­ging tegen
overrompelingen door vijan­diggezinde stammen. Deze gevechtstechnieken waren
speciaal bedoeld voor de slag­vel­den, daar wanneer het leven echt in
gevaar was en men gedwongen was om zichzelf moest verdedigen. Het was mijn of
zijn leven. En als men het gevecht betreedt kan men alleen op de “Pen­cak-Silat”
vertrouwen. Pendekars (be­schermhe­ren) werden vroeger uit het gewone
volk aange­mon­sterd, die meestal allemaal ongelet­terd waren, met uitzondering
van de koninklij­ke telgen van verschei­dene dynastieën en op volledige steun
van het genoot­schap konden rekenen….

……De titel Pendekar werd ter oorzake van analfa­betische redenen van de
pendekar zelf, niet middels een diploma kenbaar ge­maakt, maar hiervoor werd
het gevecht- of fami­liewa­pen van de Pries­ter geta­toeë­erd op een latente
plek op het lichaam van de pupil. In de kronieken van het Vishnuh-Genootschap
is duidelijk aangegeven in welk jaartal precies (1787-1793) de laatste
pendekars door haar werden opge­leid en waar deze voor het laatst werden
verzorgd. De Pencak-Silat is dus geen sport maar een OverlevingsLeer.

Toen weleer op de Indische archipel de aldaar aanwezige ko­ninkrij­ken mekaar
op het oor­logsgebied naar het leven stonden, werd op het slagveld geen
sportevenementen gehouden om kampi­oenen voort te brengen. Het was juist hier
de noodzaak zich uit alle macht te verdedigen tegen sterven en dood, omdat op
het oor­logsterrein slechts sprake was van de keiharde reali­teit; het was over­leven
of gedood worden.


DE GEESTELIJKE PLICHTEN VOOR PENDEKARS

Een pendekar dient volgens de gedragsregels van Vishnuh zijn persoonlijke plich­ten
dagelijks te vervullen, want zijn voor­ge­schre­ven plich­ten bepalen tezamen
de regelmaat en de aanvul­ling op zijn gehele geeste­lijke- en licha­melijke
situa­tie. Geestelijke plichten zijn die plich­ten die door het genoot­schap
worden opge­legd ; maar of het nu licha­melij­ke of geeste­lijke plichten zijn
; men dient zich tot zijn laatste adem­tocht aan ZIJN voorge­schreven plichten
te houden. De Plichten die in de Pencak-Silatleer op geestelijk niveau worden
aange­leerd verschil­len aanzienlijk van de plichten op lichame­lijk
niveau. 

 

 

De leer van Vishnuh zegt:

 

… “Alwie de richt­lijnen eerlijk
en oprecht opvolgt, zal altijd het goede gedu­rende zijn levenswandel
tegenkomen die buiten­dien zal worden geflankeerd door de positieve in­stelling
in de mens. Men zal in staat zijn om de vruchten hiervan daadwerkelijk te
plukken of te ver­krij­gen, en voor wie zich al op weg begeven heeft wordt
kennis zijn erfenis en worden intelligen­tie en het verstand onherroe­pelijk
zijn deel.” 

 

 

Maar wanneer een pende­kar tij­dens de
keba­tinan­leer nog in de ban is van de tastbare dingen, dan dient hij om deze
levens­houding te com­penseren zich te houden aan de voor­schriften die gelden
voor alle bij­zondere situaties. Hier­over zegt de leer van Vishnuh het
volgende; “Het concentre­ren op een vaste vorm is tijdverlies, want op het
bovenzinne­lijke vlak verliezen alle vormen van onderscheid uit de stof­felijke
wereld hun geldigheid.


“DE LEEF/STRIJDCODE”

Daarnaast is de Pende­kar moreel ver­plicht een ieder welgezind te zijn, opdat
hij onder het volk geen enkele vijand heeft. De pendekar die niet in staat was
zich aan de regels en bepa­lingen van de leer te houden werd geacht allereerst
de daar­voor vereiste kennis te verwerven, want alleen daardoor kan hij zijn
werke­lijke “geest” leren zien. Kennis groeit geleide­lijk uit tot
medita­tie ; en door medita­tie kan hij langs de weg van de “Silat­leer”,
de kebati­nan­leer begrijpen. Doch niemand behoort een  ingewijde te
bespotten wanneer deze een keer van zijn persoonlijke plichten afdwaalt en
daarbij de geeste­lijke weg een tijdje achter zich laat, zelfs al komt hij bij
toeval of per ongeluk verkeerd terecht. Deze woorden behelzen zeer
nadrukkelijk een waar­schuwing aan het adres van niet ingewijden.  Men
dient de kennis der Pencak-Silat zoals is vastgelegd en samengesteld door het
Vishnuh-Genootschap uit te dragen / toe te passen tot heil van iedere indi­vidu. 

 


N.B.: Het begrip Pendekar is door de Gurubesar
Lancar Ida-Bagus <> R.R.Purperhart in de huidige tijd vertaald naar
het oud javaanse woord “Putuh” (alg. ingewijde pupil,
kleinkind) alsmede heeft hij de inhoudelijke definities van de
begrippen/titels “Putuh” & “Putuh-Agheng” sinds 1991
alszodanig vastgelegd, zodat het “Pendekarschap” c.q. het
“Putuhschap” voor ieder rechtschapen mens bereikbaar is. Dus mensen
die zich alsnog pendekar noemen zijn nep.


Let Wel: Het Vishnuh-Genootschap streeft er niet naar
om de wereld te veranderen, maar wie lid wenst te worden zal zich
onderwerpen aan onze regels, toelatingsprocedure, normen, waarden en de adat
van het Vishnuh-Genootschap. Kritiek leveren op onze regels en beleid is
zinloos. Anderszins zitten wij niet op avonturiers te wachten en
dergelijke, wij verwelkomen alleen aardbewoners, en wie vrij is van angst
en oprecht is van geest alsmede geen kwaad heeft in de zin en tot het
Vishnuh-Genootschap wenst te worden toegelaten zal door ons als een
volwaardig lid ontvangen worden.

 

 

Daarover zegt de leer van Vishnuh:

 

… “Wie niets kwaads heeft in
de zin heeft echter van ons ook niets te vrezen.”

 

 

Putuh-Agheng : B.Maas